ASGB/Kartel trekt rode lijnen inzake de aanpassing van het conventiemodel
Minister Vandenbroucke wil het conventiemodel aanpassen opdat meer artsen zich zouden conventioneren. Bovendien wil hij de artsensyndicaten, wanneer er niet genoeg artsen zouden toetreden, responsabiliseren door hun financiering te laten afhangen van het aantal geconventioneerden.
Hoewel er door het kabinet gevraagd was om vooralsnog niet te communiceren over deze plannen, merken we dat er in de medische pers al volop gelekt werd. Bij deze zien wij dan ook geen reden om u ons standpunt nog langer te onthouden. Mede ook doordat er voor andere sectoren (onder meer de apothekers en de kiné’s) al officiële documenten van het Verzekeringscomité zijn, zie pdf’s als bijlage bij dit bericht.
Wij staan als ASGB/Kartel nooit afkerig tegenover (noodzakelijke) hervormingen en wij willen zeker ook meewerken aan een modernisering van het conventiemodel. Dat neemt echter niet weg dat we rode lijnen trekken die niet overschreden kunnen worden.
Vooreerst inzake de financiering
Als u weet dat die centen voornamelijk moeten dienen om onze mandatarissen een kleine, totaal niet-toereikende kostenvergoeding te geven voor hun vele werk in raden en commissies (en het steeds maar toenemende aantal subwerkgroepen), dan zou het een totale anomalie zijn om die te laten afhangen van minder of meer geconventioneerden. U verwacht als lid van uw gemandateerden immers een kritische en onafhankelijke houding ten opzichte van het beleid (en niet een verplicht en slaafs ja-knikken).
Daarnaast inzake het conventiemodel zelf
De voornaamste lijn die we hier trekken is dat de vrije keuze tussen wel en niet conventioneren absoluut behouden moet blijven en geen vermomde verplichting richting (alleen) conventioneren mag worden. Als ASGB/Kartel hebben wij altijd een nieuw akkoord zo goed mogelijk trachten te stofferen voor onze achterban zodat die er zich in zou kunnen in vinden, en dat zullen we ook blijven doen, maar de uiteindelijke beslissing moet bij het individu blijven liggen en er mag niet gediscrimineerd worden in functie van die uiteindelijke beslissing.
Reacties
Het syndicaat verwerpt ongenuanceerd het voorstel van aanpassing van het conventiemodel, zonder te wijzen op de mankementen in het systeem, waardoor ondanks alle uitgebazuinde tariefzekerheid de pati¨ënt (verplichte contractant van de zieteverzekering) kan betrouwen op de correcte naleving van dit contract.
5 jaar geleden pleegde ik een opiniestuk over deze problematiek onder de titel 'De Ziekteverzekering is ziek. Onderstaand kopieer ik dit in zijn geheel.
DE ZIEKTEVERZEKERING IS ZIEK
Wij kunnen ons gelukkig prijzen want wij kunnen terecht genieten van een uitstekende gezondheidszorg. De kwaliteit van de geneeskunde is wereldtop.
We beroepen er ons bovendien op dat betaalbaarheid van deze zorgen bij de besten van de wereld behoort. In theorie is dit ook zo. Maar in de praktijk is deze betaalbaarheid, ook voor de minst bedeelden, dikwijls een fictie. Het uitstellen van noodzakelijke zorg is een toenemend fenomeen.
De toegankelijkheid van de zorg is gebaseerd op 2 pijlers:
- enerzijds een verplichte ziekteverzekering die een solidariteit veronderstelt tussen alle landgenoten. De ‘premie’ van deze verzekering wordt bij een loontrekkende betaald door werknemer en werkgever. Bij zelfstandigen door de verzekerde zelf. In beide stelsels is er een aanvulling van de overheid. Geen enkele landgenoot kan zich onttrekken aan dit verplichte stelsel. Zoals in elk verzekeringscontract heeft de verzekeringnemer recht op een vergoeding bij ziekte.
- anderzijds een tarievenakkoord (‘conventie’) waarbij zorgverstrekkers er zich toe verbinden vooraf bepaalde honoraria toe te passen met een beperkt remgeld ten laste van de verzekerde.
Dit systeem moet in theorie ernstige financiële gevolgen bij een ‘schadegeval’ voorkomen. De zieke moet kunnen rekenen op tariefzekerheid met een beperkte eigen bijdrage.
De praktijk is evenwel anders. De tariefzekerheid waarvoor iedereen verplicht een aanzienlijke bijdrage betaalt, wordt op talrijke manieren ondergraven.
Essentieel in de honoraria en tariefzekerheid is de (twee)jaarlijkse overeenkomst artsen – ziekenfondsen (‘conventie’) waarbij een meerderheid van artsen zich ertoe verbindt afgesproken honoraria toe te passen en waarbij ook de eigen bijdrage van de patiënt wordt vastgelegd. De zorgzoekende weet dus waaraan zich te verwachten bij ziekte of nood aan zorg. Men spreekt van tariefzekerheid als een meerderheid van de artsen toetreedt tot de conventie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen huisartsen en specialisten en in beide beroepsgroepen is deze meerderheid vereist. De waakzame patiënt kan zich dus informeren bij welke arts hij/zij aan ‘conventietarieven’ terecht kan voor zijn medische zorg.
Artsen zijn vrij om tot zulke conventie toe te treden of niet. Artsen die akkoord gaan met de overeengekomen tarieven (= geconventioneerde artsen) kunnen ter compensatie van een potentieel inkomensverlies aanspraak maken op een overheidsbijdrage (‘sociaal statuut’) ter ondersteuning van hun eigen sociale zekerheid.
Dit mooi ogende systeem vertoont evenwel grote hiaten en mankementen. Na het afsluiten van een akkoord pakt de overheid telkens uit met de geruststellende boodschap aan de bevolking dat er voor de patiënten tariefzekerheid bereikt is, wel wetende dat het pas bereikte akkoord virtueel is en dat de patiënt allerminst van tariefzekerheid kan genieten. De rechthebbenden sluiten de facto verplicht een (zorg)verzekering af zonder gewaarborgde risicodekking.
Waar zitten die hiaten bij een afgesloten overeenkomst?
- als er geen meerderheid geconventioneerden huisartsen is in een bepaald arrondissement, dan zal de patiënt daar ook niet op tariefzekerheid kunnen rekenen
- de artsenspecialisten worden als één groep beoordeeld. Als van één of meerdere disciplines (bv gynaecologie, dermatologie…) geen meerderheid conventioneert, dan zal de zorgzoekende verzekerde nauwelijks betaalbare zorg vinden, ondanks zijn betaalde verzekeringsbijdrage
- artsen kunnen zich onttrekken aan de plicht van tariefzekerheid via de ‘bijzondere eis’ en de prestaties na afspraak. Dit opent de poort tot het massaal negeren van de onderhandelde tarieven.
- helemaal ongerijmd is het principe van de ‘partiële conventie’. Dit betekent dat artsen zich ertoe verbinden om voor een beperkt deel van hun activiteit de onderhandelde tarieven te respecteren. In de praktijk heeft dit veelal tot gevolg dat patiënten slechts mits hoge supplementen op korte tijd geholpen kunnen worden. Om het betaalbaar te houden moet de zorg uitgesteld worden met mogelijks nefaste gevolgen
Het probleem van de financiële drempels situeert zich dus niet zozeer in de eerstelijns geneeskunde, maar wel in de tweede en derde lijn. Een patiënt die zorg behoeft en door de huisarts verwezen wordt naar de tweede lijn riskeert geconfronteerd te worden met zeer hoge niet terugbetaalde kosten. Zelfs indien de patiënt verwezen wordt naar een geconventioneerde specialist dan worden vervolgraadplegingen vaak geleid naar private kabinetten die buiten het tarievenakkoord vallen, of heeft hij niet de garantie dat een verdere doorverwijzingen binnen het kader van het tarievenakkoord verlopen.
Een aanvullende hospitalisatieverzekering is allerminst een oplossing voor de falende toegankelijkheid. Het bestaan van een dergelijke verzekering betekent dat de bestaande verplichte ziekteverzekering tekortschiet. Essentiële zorg hoort thuis in het algemene stelsel, waarvoor een aparte hospitalisatieverzekering overbodig is. Indien 80% van de bevolking een dergelijke verzekering heeft afgesloten dan zijn de overige 20% allicht sociaal zwakkeren die een verzekering tegen essentiële zorgen het meeste nodig hebben.
Een grondige aanpassing van het conventiesysteem dringt zich op:
- deconventie van bedreigde disciplines moet beteugeld worden
- partiële conventie moet afgeschaft worden
- een patiënt die zich met zijn gezondheidsprobleem bij een geconventioneerde huisarts aanbiedt moet de garantie hebben dat hij/zij in heel het ziektetraject kunnen rekenen op geconventioneerde tarieven, ook bij noodzakelijke nazorg in privépraktijken.
- de kosteninducerende hospitalisatieverzekering mag geen betrekking hebben op de medische zorg, maar moet zich beperken tot de hotelfunctie in ziekenhuizen.
Het huidige overlegsysteem leidt tot een tarievenakkoord dat zelfs door een hoge Riziv-ambtenaar als virtueel bestempeld werd. Het is zo absurd dat vele artsen die dit akkoord mede onderhandelen onmiddellijk na de ondertekening hun achterban aanbevelen om het te verwerpen. Hun prestaties worden wel door het RIZIV vergoed volgens de afgesproken tarieven, maar zelf rekenen zij hun patiënten een veelvoud aan. Het komt erop neer dat terugbetalingstarieven onderhandeld worden die sommigen naar eigen goeddunken vermenigvuldigen.
Dr. Paul Putzeys
1/10/20
Reactie toevoegen