Opinie: bestrijding sociale fraude te ideologisch en te politiek gekleurd
Over de frauderende thuisverpleegster uit Houthulst vloeit heel wat inkt. De eerste indices van sociale fraude dateerden van 2017, de huiszoekingen vonden pas deze week plaats. Dat sociale fraude - net als andere vormen van fraude - hard moet worden aangepakt, is evident. Maar er is meer aan de hand.
Journalisten reconstrueerden het hele fraudeverhaal, van jaar tot jaar. De goegemeente, die doorgaans niet vertrouwd is met sancties en procedures (bij vermoedens) van fraude bij zorgverstrekkers, maakte kennis met de verschillende stappen die het RIZIV en haar controledienst, mutualiteiten en het parket hadden genomen. Om na acht jaar eindelijk schot in de zaak te krijgen.
Hoe kon het zo lang aanslepen?
Het antwoord is simpel: de bestrijding van sociale fraude - al dan niet door zorgverstrekkers - is te ideologisch en te politiek gekleurd. Dat is historisch gegroeid. De naoorlogse opstart van het socialezekerheidssysteem ging hand in hand met de opmars van de silomaatschappij zoals we die vandaag de dag nog altijd een beetje kennen: de nauwe banden tussen de klassieke politieke partijen en hun eigen middenveldorganisaties, zoals vakbonden en mutualiteiten. Vakbonden waren (en zijn) van mening dat zij bepaalde vergoedingen mogen uitkeren, net als de mutualiteiten op hun beurt ook vinden dat zij de partij bij uitstek zijn om uitkeringen en vergoedingen te storten aan patiënten en zorgverstrekkers.
Wat ook historisch (en ideologisch) gegroeid is, is het sanctiesysteem
Al decennia claimen vakbonden en mutualiteiten verregaande controlebevoegdheden. Ze zweren niet alleen bij hun “sentinel”-functie, onder het voorwendsel dat parketten en justitie het te druk hebben, ze zijn met hun politieke macht erin geslaagd om sociale fraude zoveel en zo lang mogelijk binnen de logge administratieve mallemolen te houden door procedures in het leven te roepen die maar blijven aanslepen. Daar waar in heel wat andere westerse landen automatisch het parket wordt ingeschakeld als er sprake is van een vermoeden van fraude vanaf enkele tienduizenden euro’s, kan een Belgische fraudeur verder schade aanrichten gedurende enkele jaren zonder strafrechtelijke vervolging. Pas wanneer de DGEC het dossier zwaarwichtig genoeg vindt, schakelt men het parket in.
Hoe moet het verder?
De plannen van minister Vandenbroucke om het RIZIV-nummer te laten schrappen door een soort van inquisitierechtbank en om een plafonnering van het aantal prestaties per dag in te voeren zijn ultieme voorbeelden van een zwaktebod. Het probleem van de aanpak van sociale fraude zit stroomopwaarts in de keten. En daaraan gekoppeld het feit dat sociale fraude geen prioriteit van parketten - en bij uitbreiding van justitie - is. Vakbonden en mutualiteiten hebben hier steeds hard voor gelobbyd, net omdat ze vinden dat ze dat zelf wel kunnen doen, in samenspraak met instellingen zoals het RIZIV. Bij die laatste is het een politieke keuze geweest om de controledienst niet te versterken nadat een deel van de ambtenaren met pensioen is gegaan.
Om al die redenen houdt het geen steek om de verdere discussies over de aanpak van sociale fraude te voeren zonder hierbij ook justitie te betrekken, die veel sneller en eerder in de keten van procedures moet worden betrokken.
Reacties
tIn verband met deze casus:
Het is duidelijk dat controle over de besteding van publieke middelen schromelijk tekort schoot, wie er ook verantwoordelijk is.
1. De fraude is pas aan het licht gekomen nà melding van een collega thuisverpleegster; zonder deze melding kon zij misschien wel ongehinderd tot nu doorgaan. Mut's en RIZIV (DGEC) hadden kennelijk niets gemerkt. Waarvoor dienen deze controleinstaties?
2. Mogelijks zijn er nog andere casussen want de kat wordt bij de melk gezet. Thuisverpleegkundigen kunnen na een eenmalig voorschrift van een arts (huisarts of specialist na hospitalisatie) autonoom de ernst van de ziekte inschalen alsook de duur van de zorgen (autoprescriptie). Huisartsen vernemen soms pas na jaren toevallig dat hun patiënt nog dagelijks gewassen wordt na een of andere lichte ingreep.
3. De orde van artsen kan wel een schorsing van beroepsuitoefening opleggen, maar alleen voor artsen. Voor àlle zorgverstrekkers (verpleegkundigen, tandartsen, apothekers, kinesitherapeuten, vroedkundigen.... ) was de Provinciale Geneeskundige Commissie bevoegd, ook om een schorsing van beroepsuitoefening op te leggen. Deze commissie, die goed werk leverde, is 3 jaar geleden opgeheven zonder opvolging. Dossiers die hangende waren werden zelfs niet afgehandeld en de betrokkenen gingen dus vrijuit.
Er is nog werk aan de winkel!
Via mijn medisch programma worden aanvragen voor kine en vepleging steeds gedateerd . Het lijkt me perfekt haalbaar om op deze manier al een eerste zicht te krijgen op onze eigen manier van werken . Feedback in LOK is interessante denkpiste . Temeer omdat daar verschillende type praktijken zoals grotere en kleinere groepspraktijken tussen zitten . Bovendien is de samenwerking in onze regio met verpleegkundigen mutualiteiten zeer goed en kan snel op de bal gespeeld worden bij noodzakelijke voorschriftaanpassingen . Samenwerking wordt door de geneeskundige kring hoog in het vaandel gedragen . Preventie is op deze manier niet alleen haalbaar doch ook aangenaam .bgsa
Reactie toevoegen