Sportmedische geschiktheidsonderzoeken: einde van zinloze attesten dankzij nieuwe richtlijnen?
Op 21 augustus 2025 is een Vlaams Besluit verschenen dat voorziet in een zgn. kwaliteitsstandaard voor sportmedische geschiktheidsonderzoeken. De bedoeling van dit besluit is dubbel:
- sportbonden en -clubs handvaten bezorgen om te bepalen voor wie en wanneer dergelijke onderzoeken nuttig en/of noodzakelijk zijn
- (sport)artsen vertrouwd maken met het feit aan welke criteria zo’n onderzoek zou moeten voldoen opdat het zijn doel zou dienen.
De derde (onderliggende) bedoeling is dat er op deze manier een einde zou komen aan de veel voorkomende vraag om “eens snel een attest voor de sportclub of -bond in te vullen”. Dit soort attesten maakte immers tot nog toe geen onaardig deel uit van de zgn. zinloze attesten.
Wat de vraag betreft wanneer een sportmedisch geschiktheidsonderzoek nuttig is, verwijst het besluit naar een gestandaardiseerde vragenlijst. De facto komt het neer op de elektronische vragenlijst (ontwikkeld door SKA, de Vereniging voor sport- en keuringsartsen) die u vindt op https://www.sportkeuring.be/.
Wat de concrete inhoud van een sportmedische geschiktheidsonderzoek betreft, stelt het besluit dat het bestaat uit een sportmedische anamnese én een klinisch onderzoek.
De sportmedische anamnese bevat 20 punten. Het gaat om:
1° de geboortedatum en het biologisch geslacht;
2° het gender als dat verschillend is van het geboortegeslacht;
3° de aard en de context van de beoefende of beoogde sportbeoefening;
4° het rookgedrag;
5° het huidige niveau of de intensiteit van de beoefende sport: gemiddeld aantal uren sport per week tijdens het laatste half jaar;
6° de familiale voorgeschiedenis, in het bijzonder over het voorkomen van plotse dood en hartaandoeningen;
7° de aanwezigheid van de volgende symptomen tijdens of na inspanning:
a) pijn op de borstkas bij of na inspanning;
b) duizeligheid bij of na inspanning;
c) flauwvallen bij of na inspanning of bijna flauwvallen bij of na inspanning;
d) onregelmatig hartritme bij of na inspanning;
e) kortademigheid bij of na inspanning of abnormale kortademigheid bij of na inspanning;
8° bekende hart- en vaataandoeningen;
9° cardiale risicofactoren zoals hoge bloeddruk en hoog cholesterolgehalte;
10° de persoonlijke voorgeschiedenis van ziekten, in het bijzonder van cerebrovasculair accident, kanker, epilepsie, diabetes, down en ziekten met risico op vervroegd coronair lijden zoals chronische inflammatoire ziekten, nierlijden en hiv;
11° de persoonlijke voorgeschiedenis van operatieve ingrepen;
12° het medicijn- en middelengebruik, rekening houdend met de relevantie, zoals cocaïne, rilatine, hormoongebruik in het kader van gendertransitie, prestatiebevorderende middelen (supplementen, medicatie), met uitzondering van antiallergische middelen;
13° het bewustzijn over de antidopingwetgeving;
14° ademhalingsklachten;
15° de persoonlijke voorgeschiedenis van hoofdletsels, hersenaandoeningen en neurologische aandoeningen;
16° de persoonlijke voorgeschiedenis van letsels en klachten van het bewegingsstelsel;
17° de laatste gebitscontrole;
18° het eetgedrag en de eetstoornissen;
19° het bespreekbaar maken van mentale of psychiatrische problemen;
20° bekkenbodemproblematiek, urineverlies, menstruele problematieken, zwangerschap.
Afhankelijk van het resultaat van de gestandaardiseerde vragenlijst kan de arts aanvullende vragen stellen waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de context en de specifieke risico's van de sportbeoefening in kwestie en met de richtlijnen van de sportorganisatie in kwestie.
Het klinisch onderzoek bevat dan weer een 10-tal punten, lees: handelingen die bij voorkeur gesteld worden. Het gaat om:
1° de meting van de lengte en het gewicht;
2° vanaf achttien jaar: de meting van de buikomtrek;
3° hartauscultatie, bloeddrukmeting en pulsaties, kenmerken van marfansyndroom;
4° vanaf veertig jaar: cardiovasculaire risicoscore;
5° longauscultatie;
6° visus;
7° de inspectie van de statiek en de beoordeling van asymmetrie van gewrichten en spieren;
8° het onderzoek van kracht en mobiliteit van de wervelkolom en de bovenste en onderste ledematen met inbegrip van de schoudergordel en heupgordel;
9° een of meer functionele onderzoeken in functie van de aard en de context van de sportbeoefening;
10° een rustelektrocardiogram bij het eerste sportmedische geschiktheidsonderzoek, op zijn vroegst in het jaar waarin de sporter veertien jaar wordt en te herhalen in het jaar waarin de sporter achttien jaar wordt.
Afhankelijk van het resultaat van de gestandaardiseerde vragenlijst kan de arts aanvullende onderzoeken uitvoeren waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de context en de specifieke risico's van de sportbeoefening in kwestie en met de richtlijnen van de sportorganisatie in kwestie.
Als bijlage bij dit bericht vindt u nog de integrale tekst van het besluit dat op 21 augustus gepubliceerd werd.
Reacties
het ware interessant om deze punten standaard in het medisch dossier te laten verschijnen.
Nu doen we dit op ervaring maar zo zouden bepaalde punten soms worden veronachtzaamd .
Reactie toevoegen