Zorgprogramma borstkanker

ASGB-BERICHT 2007.160

ASGB - vzw

Aangesloten bij de Konfederatie der Belgische Geneesheren 

Antwerpsesteenweg 18

2630 Aartselaar

Tel. 03/238.49.48

Fax 03/216.30.64

Email asgb@telenet.be

Web www.asgb.be

 
TER INFORMATIE

ASGB-bericht2007.160/Zorgprogramma borstkanker - 9 augustus 2007
 
Geachte Collega,



In het BS van 20/7/2007 verschenen 2 KB's i.v.m. het zorgprogramma

borstkanker.

Eens te meer vertoont het KB met de erkenningscriteria meerdere storende

tekst- en taalfouten en onduidelijkheden. Dat is de gewoonte geworden. Het

KB bevat absurde overregulering.

Op de ongefundeerde kwantitatieve vereisten hebben het ASGB en de NRZV

vroeger al commentaar gegeven. De minister heeft er zich duidelijk niet aan

gestoord. Het is duidelijk dat hij meer oren had naar bepaalde centra die de

zorg voor borstkanker willen monopoliseren. Nu men het nodig vindt om voor

een van de meest frequent voorkomende maligniteiten een apart

centrum/zorgprogramma op te richten staat de deur open om dit voor elke

orgaankanker te doen waardoor het algemeen zorgprogramma oncologie volledig

zal ondergraven worden. Wij betwijfelen sterk of ziekenhuizen die geen

borstkliniek zullen hebben nog een oncoloog zullen kunnen tewerk stellen. De

zorg van alle andere kankerpatiënten dreigt daaronder te zullen lijden.

Bovendien is de kans groot dat de huisarts in dergelijke context volledig

buitenspel zal gezet worden.



met collegiale groeten,

het ASGB-bestuur
 




FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE

VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU

26 APRIL 2007. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen

waaraan het gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma voor borstkanker moet

voldoen om te worden erkend

VERSLAG AAN DE KONING

Sire,

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, hierna «

de Privacycommissie » genoemd, heeft in haar advies een aantal opmerkingen

geformuleerd.

Waar de opmerkingen pertinent waren, werd het ontwerp van koninklijk besluit

aangepast. In het tegenoverstelde geval, wordt een antwoord geformuleerd :

1. Aard van de gegevens en verwerkingen.

De Privacycommissie merkt op dat bij toepassing van de wet van 8 december

1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, persoonsgegevens niet

verder mogen worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle

relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de

betrokkene en met de toepassing van wettelijke en reglementaire bepalingen,

onverenigbaarheid is met de statistische en wetenschappelijke doeleinden ter

bescherming van de volksgezondheid en ter ondersteuning van het te voeren

gezondheidsbeleid.

Terzake dient te worden opgemerkt dat de in het ontwerp voorziene

registratie en mededeling van gegevens tweeërlei is :

Dit betreft enerzijds het ter beschikking houden van de voor de erkenning

bevoegde overheid van documenten die deze moet toelaten om op

ondubbelzinnige wijze vast te stellen of het aantal diagnosen zoals bedoeld

in artikel 3 worden behaald.

Deze documenten zijn de kopies van :

1° het verslag van het multidisciplinair oncologisch overleg, uitsluitend in

het geval er geen heelkundige ingreep wordt verricht;

2° in de andere gevallen, van het protocol van de heelkundige interventie -

en het samenhangend anatomopathologische protocol.

Deze doelstelling wordt uitdrukkelijk vermeld in het ontwerp van koninklijk

besluit. Er is geen sprake van zijn van een verdere verwerking.

Anderzijds zijn de gegevens bedoeld in artikel 16 bestemd voor de

kwaliteitsevaluatie, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen,

gecoördineerd op 7 augustus 1987 en in het koninklijk besluit van 21 maart

2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor

oncologische basiszorg en het zorgprogramma oncologie moeten voldoen om te

worden erkend. Dit valt af te leiden uit artikel 16 van het ontwerp dat

uitdrukkelijk verwijst naar artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit van

21 maart 2003. Terzake is evenmin sprake van een verdere verwerking.

2. Doeleinde, rechtmatigheid en proportionaliteit van de verwerking :

De Privacycommissie maakt zich de bedenking of het leveren van het bewijs

van nieuwe diagnosen werkelijk het volledig verslag van het

pluridisciplinair oncologisch overleg en het protocol van de belangrijkste

chirurgische interventie met hierbij het overeenstemmende

anatomopathologische protocol vereist.

Terzake dient te worden gewezen op de complexiteit van een behandeling van

borstkanker in functie van het type en de samenhang ervan, wat voor gevolg

heeft dat diverse voorwaarden moet worden gesteld voor het in aanmerking

nemen van het aantal diagnoses zoals bedoeld in artikel 3. Dit geldt in het

bijzonder voor de gevallen waarin de eerste behandeling geschiedt in een

ander ziekenhuis (of vestigingsplaats) als dit waar de diagnose wordt

gesteld (art. 3, § 3, tweede lid) of de uitzonderingen bedoeld in artikel 3,

§ 3, derde lid, waarin de patiënt bepaalde behandelingen ondergaat in een

ander ziekenhuis (of vestigingsplaats) dan dat waar de diagnose in rekening

wordt gebracht.

Om deze reden is het noodzakelijk dat het onbetwistbaar vaststaat dat het

wel degelijk om nieuwe diagnose van kanker gaat, dat het al of niet op een

chirurgische ingreep als eerste behandeling gaat die met deze diagnose

gepaard gaat en in het geval er niet wordt overgegaan tot een chirurgische

behandeling, dat de patiënt wel degelijk zijn eerste behandeling in bedoelde

ziekenhuis (of vestigingsplaats) krijgt, zonder dat dit tot de

uitzonderingsbepalingen van artikel 3, § 3, vierde lid, behoort.

De voor de erkenning bevoegde overheid heeft dan ook hoger vermelde

elementen nodig teneinde te vermijden dat in bepaalde complexe gevallen een

patiënt waarbij een diagnose van borstkanker gesteld is, ten onrechte

meervoudig in rekening zou worden gebracht.

Teneinde te vermijden dat bedoelde persoonsgegevens overmatig zouden zijn,

wordt slechts gepreciseerd dat het verslag van het multidisciplinair

oncologisch overleg ter beschikking van de voor de erkenning bevoegde

overheid wordt gehouden in het geval er geen heelkundige interventie wordt

verricht.

3. Kennisgeving. aan de betrokkene.

Zoals in het advies van de Privacycommissie gepreciseerd, is deze

verplichting reeds voorzien in het koninklijk besluit van 23 oktober 1964

tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten

worden nageleefd.

4. Bewaartermijn van de gegevens.

De Privacycommissie merkt op dat artikel 4, § 1, 5°, van wet van 8 december

1992 stelt dat de persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan voor

de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen,

noodzakelijk is.

Er weze aangestipt dat hoger vermelde documenten per definitie elementen uit

het medisch dossier zijn.

Teneinde tegemoet te komen aan de adviezen van de Privacycommissie en de

Raad van State wordt voorzien dat de afschriften van deze documenten in het

ziekenhuis ter beschikking worden gehouden van de voor erkenning bevoegde

overheid gedurende een termijn van tien jaar en nadien worden vernietigd.

5. Verantwoordelijkheden en veiligheidsmaatregelen.

Artikel 16, § 4, van de wet van 8 december 1992 legt reeds rechtstreeks aan

de betrokkenen de bedoelde verplichtingen op om de gepaste technische en

organisatorische maatregelen te nemen die nodig zijn voor de bescherming van

de persoonsgegevens, waarbij deze maatregelen een passend beveiligingsniveau

verzekeren. De noodzaak om in het kader van de erkenningsnormen tot een

bijkomende regelgeving over te gaan, lijkt derhalve niet evident.

Teneinde echter tegemoet te komen aan de adviezen van de Privacycomissie en

de Raad van State, werden de suggesties van eerst genoemd orgaan in het

ontwerp opgenomen.

Ik heb de eer te zijn,

Sire,

Van uw majesteit,

De zeer eerbiedige

en zeer getrouwe dienaar,

De Minister van Volksgezondheid,

R. DEMOTTE



Advies nr. 46/2006 van 29 november 2006

Ontwerp van koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan

het gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma voor borstkanker moet voldoen

om te worden erkend.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke

levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna

WVP), in het bijzonder artikel 29;

Gelet op het verzoek van de heer Rudy Demotte, Minister van Sociale Zaken en

Volksgezondheid, ontvangen op 3 oktober 2006;

Gelet op het verslag van Mevr. A. Vander Donckt;

Brengt op 29 november 2006 het volgende advies uit :

I. Voorwerp van de adviesaanvraag

1. De adviesaanvraag betreft een ontwerp van koninklijk besluit houdende

vaststelling van de normen waaraan het gespecialiseerd oncologisch

zorgprogramma voor borstkanker moet voldoen om te worden erkend,

inzonderheid de artikelen 3, § 4 en 18.

1.1 Context van de aanvraag - wettelijke omkadering

2. In de wet op de ziekenhuizen, artikel 9quater, gecoördineerd op 7

augustus 1987, stelt de Koning de lijst vast van zorgprogramma's die dienen

te worden erkend door de overheid bevoegd voor het gezondheidsbeleid. De

Koning kan voor deze zorgprogramma's karakteristieken definiëren om te

worden erkend, waaronder het minimaal activiteitsniveau en kwaliteitsnormen

en normen inzake kwaliteitsopvolging (1).

3. Voormeld artikel 9quater van de wet op de ziekenhuizen werd in eerste

instantie uitgevoerd bij koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot

vaststelling van de lijst van zorgprogramma's en tot aanduiding van de

artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn.

4. In voormeld koninklijk besluit wordt 'de oncologie' opgenomen in de lijst

van zorgprogramma's en een onderscheid wordt gemaakt tussen het

zorgprogramma voor oncologische basiszorg enerzijds en het zorgprogramma

voor oncologie anderzijds. (2)

5. Een verdere uitwerking werd doorgevoerd bij het koninklijk besluit van 21

maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma

voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten

voldoen om te worden erkend (zie bijlage).

6. Het koninklijk besluit dat nu voorligt voor advies voorziet in de uitbouw

van een borstkliniek (zijnde een gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma

voor borstkanker), als bovenbouw op een zorgprogramma voor oncologie zoals

bedoeld voormeld koninklijk besluit van 21 maart 2003. Het bepaalt de normen

waaraan dit gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma voor borstkanker moet

voldoen om te worden erkend.

7. In artikel 3 wordt voorzien dat een ziekenhuis dat een erkenning als

'borstkliniek' wenst te bekomen op dat vlak een minimaal activiteitsniveau

(= een minimaal aantal nieuwe diagnoses van borstkanker) moet kunnen

voorleggen.

Om dit te kunnen nagaan, moet voor elke nieuwe diagnose een afschrift,

weliswaar in gecodeerd vorm, worden overgemaakt van :

- het verslag van het multidisciplinair oncologisch consult (MOC);

- het protocol van de belangrijkste chirurgische interventie, met hierbij

het overeenstemmende anatomopathologische protocol.

8. In artikel 18 wordt voorzien dat ook de borstkliniek dezelfde

kwaliteitsopvolging dient te handhaven als het zorgprogramma voor oncologie

(waarvan het de bovenbouw vormt), maar in het kader van de kankerregistratie

dient de borstkliniek bijkomend te registreren :

- de resultaten van de analyses van de hormoonreceptoren;

- de resultaten van de analyses van het antigen HER2.

Dit is een aanvulling op wat is voorzien in het koninklijk besluit van 21

maart 2003, artikel 11, § 1, waarin een opsomming wordt gegeven van de

minimale parameters inzake kankerregistratie;

1.2 Voorgaanden - Advies nr. 14/2002 van 8 april 2002

9. Het koninklijk besluit van 21 maart 2003 houdende vaststelling van de

normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het

zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om te worden erkend, werd in

zijn 'ontwerpversie' eveneens aan de Commissie voorgelegd voor advies. Op 8

april 2002 bracht de Commissie, onder voorbehoud van een aantal opmerkingen,

een gunstig advies uit (zie bijlage).

10. Deze opmerkingen betroffen inzonderheid :

- het gebruik van een uniek identificatienummer voor patiënten,

verschillende van het rijksregisternummer in het kader van de

kwaliteitsopvolging/kankerregistratie;

- de gegevensstromen in het kader van de kankerregistratie en de verwerking

ter zake door het BWK - onduidelijkheid anonieme, gecodeerde of

niet-gecodeerde gegevens en nood aan passend beveiligingsniveau;

- onduidelijkheid omtrent de registratie van de implementatiegraad van de

multidisciplinaire richtlijnen;

- onduidelijkheid omtrent de verhouding tussen het college voor oncologie en

het college van geneesheren.

11. In de definitieve versie van het koninklijk besluit van 21 maart 2003

werden voormelde opmerkingen/aanbevelingen van de Commissie verwerkt, met

uitzondering van de registratie van de implementatiegraad van de

multidisciplinaire richtlijnen; vermits de regelgever oordeelde dat dit geen

registratie van persoonsgegevens betreft. (3)

12. In het algemeen oordeelde de Commissie dat zowel het wettigheidbeginsel

als het proportionaliteitbeginsel in hoofde van de zorgprogramma's worden

gerespecteerd.

II. Onderzoek van de adviesaanvraag

2.1 Aard van de gegevens en verwerkingen in de zin van de WVP

13. De gegevens die in het kader van het oncologisch zorgprogramma voor

borstkanker en met het oog op het nagaan van het activiteitsniveau (aantal

nieuwe diagnosen) van de 'borstkliniek' dienen te worden overgemaakt zijn :

- afschrift van het verslag van het multidisciplinair oncologisch consult

(MOC);

- afschrift van het protocol van de belangrijkste chirurgische interventie,

met hierbij het overeenstemmende anatomopathologische protocol;

beiden in 'gecodeerde' vorm (zie artikel 3, § 4 van het ontwerp).

14. Conform het koninklijk besluit van 21 maart 2003 dient ook de

borstkliniek de gegevens te registreren inzake kwaliteitsopvolging en in het

kader van de kankerregistratie. Naast de gegevens opgesomd in artikel 11, §

1 van dit koninklijk besluit dient de borstkliniek bijkomend ook volgende

gegevens te registreren :

- de resultaten van de analyses van de hormoonreceptoren;

- de resultaten van de analyses van het antigen HER2 (zie artikel 18 van het

ontwerp).

De Commissie meent er te kunnen vanuit gaan dat ook deze gegevens in

gecodeerde vorm worden overgemaakt, naar analogie met artikel 11, § 1, derde

lid van het koninklijk besluit van 21 maart 2003. (4)

15. Deze gegevens zijn persoonsgegevens die de gezondheid betreffen in de

zin van artikel 7 WVP, die omwille van hun gevoelig karakter aan een hoger

beschermingsregime zijn onderworpen.

16. Voormelde gegevens worden door de 'borstkliniek' geregistreerd en

verwerkt in het kader van de toediening van gezondheidszorgen en

behandeling, waarna ze aan de Minister van Volksgezondheid dienen te worden

medegedeeld ter ondersteuning van het te voeren gezondheidsbeleid (minimaal

activiteitsniveau - bewijs aantal nieuwe diagnosen) en ter bevordering en

bescherming van de volksgezondheid, met inbegrip van bevolkingsonderzoek

(kwaliteitsopvolging en kankerregistratie).

17. De in het ontwerp van koninklijk besluit voorziene verwerkingen

betreffen dus latere verwerkingen voor statistische en wetenschappelijke

doeleinden ter bescherming van de volksgezondheid en ter ondersteuning van

het te voeren gezondheidsbeleid.

18. Artikel 4, § 1, 2° WVP bepaalt : « Persoonsgegevens dienen (...) niet

verder te worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle

relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de

betrokkene en met de toepassing van wettelijke en reglementaire bepalingen,

onverenigbaar is met die doeleinden (...) ».

19. Een latere verwerking is bijgevolg een verwerking van gegevens, die

initieel voor een bepaald doeleinde werden ingezameld, voor een ander

doeleinde. De beoordeling van de verenigbaarheid van het latere doeleinde

met het eerste doeleinde gebeurt in concreto, rekening houdend met alle

relevante factoren. De wet vermeldt echter, bij wijze van voorbeeld, twee

elementen die ertoe zouden kunnen leiden dat doeleinden van opeenvolgende

verwerkingen als verenigbaar beschouwd worden (5), inzonderheid :

- wanneer de verdere verwerking bij wettelijke of reglementaire bepaling is

voorzien en kadert binnen de redelijke verwachtingen van de betrokken

personen;

- wanneer de verdere verwerking historische, statistische of

wetenschappelijke doeleinden nastreeft en geschiedt in naleving van de

voorwaarden bepaald in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 13

februari 2001 ter uitvoering van de WVP en na advies van de Commissie.

20. Wanneer de persoonsgegevens worden hergebruikt voor statistische of

wetenschappelijke doeleinden en dergelijk hergebruik verenigbaar is met het

initieel doeleinde, in casu ingevolge een reglementaire bepaling, dan dient

toepassing te worden gemaakt van het algemeen stelsel dat geldt voor

verwerkingen van persoonsgegevens. (6)

Een wettelijke of reglementaire basis die een verdere verwerking van

persoonsgegevens wettigt, doet geen afbreuk aan de naleving van de

beginselen van de WVP.

Een wettelijke of reglementaire basis die de waarborgen niet concretiseert

die bepaald zijn in de WVP, volstaat dus niet om de uitzondering -voorzien

in artikel 4, § 1, 2° van dezelfde wet te rechtvaardigen.

2.2 Doeleinde, rechtmatigheid en proportionaliteit van de verwerking

21. Krachtens artikel 4, § 1, 2° WVP, « moeten persoonsgegevens voor

welbepaalde uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden

verkregen (...) ».

22. De doeleinden van de beoogde verwerking zijn :

- het bewijs van de nieuwe diagnosen teneinde het activiteitsniveau van de

'borstkliniek' te kunnen evalueren (zie artikel 3, § 4 van het ontwerp van

koninklijk besluit), enerzijds,

- kwaliteitsopvolging en kankerregistratie (zie artikel 18 van het ontwerp),

anderzijds;

welke beiden lijken te kaderen in de ondersteuning van het te voeren

gezondheidsbeleid en de bevordering en bescherming van de volksgezondheid.

23. Deze doeleinden lijken te kaderen in artikel 7, § 2, d) en e) WVP waarin

wordt gesteld : « Het verbod om de in § 1 bedoelde persoonsgegevens

(persoonsgegevens die de gezondheid betreffen) is niet van toepassing in

volgende gevallen :

d) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de bevordering en de

bescherming van de volksgezondheid met inbegrip van bevolkingsonderzoek;

e) wanneer de verwerking om redenen van zwaarwegend algemeen belang

verplicht wordt door of krachtens een wet, een decreet of een

ordonnantie, ».

24. Kankerregistratie en kwaliteitsopvolging van ziekenhuisactiviteiten,

inzonderheid oncologische zorgprogramma's, werden reeds eerder door de

Commissie als rechtmatige doeleinden aanvaard voor de verwerking van

gevoelige gegevens betreffende de gezondheid (zie hiervoor besproken Advies

nr. 14/2002 van 8 april 2002).

25. De beoogde verwerking lijkt, gelet op voormelde doeleinden van algemeen

belang, alleszins rechtmatig in toepassing van artikel 7, § 2, d) en e) WVP,

voor zover de inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden van de

betrokken patiënten, inzonderheid hun recht op bescherming van hun

persoonsgegevens-, zo beperkt mogelijk worden gehouden; bijgevolg mogen

zodat enkel die persoonsgegevens worden verwerkt die strikt noodzakelijk

zijn, uitgaande van voormeld doeleinde.

26. Immers, artikel 4, § 1, 3° WVP stelt dat : « Persoonsgegevens dienen

toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de

doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden

verwerkt ».

27. Aangaande artikel 3, § 4 van het ontwerp maakt de Commissie zich de

bedenking of het leveren van het bewijs van nieuwe diagnosen werkelijk én

het volledig verslag van het multidisciplinair oncologisch consult (MOC) en

het protocol van de belangrijkste chirurgische interventie, -met hierbij het

overeenstemmende anatomopathologische protocol vereist.

Kan een beperkt gedeelte van voormeld verslag óf protocol niet volstaan om

het bewijs van een nieuwe diagnose te leveren ?

De Commissie dringt er dan ook op aan dat de regelgever zich dienaangaande

ernstig zou bevragen en de registratie dienaangaande (louter betreffende de

beoordeling van het activiteitsniveau) zou beperken tot de werkelijk

noodzakelijke gegevens.

28. Artikel 18 van het ontwerp voorziet dat in het kader van

kankerregistratie de resultaten van de analyses van de hormoonreceptoren en

van het antigen HER2 dienen te worden geregistreerd.

Onder hormoonreceptoren dient het volgende te worden verstaan : «

hormoonreceptoren zijn ontvangers van hormoonsignalen. De hormoonreceptoren

zitten op of in de tumorcellen. De keuze voor een hormonale therapie hangt

ondermeer af van de aanwezigheid van hormoonreceptoren op of in de

tumorcellen. De kans op een gunstige reactie op de behandeling is het

grootst als het kankerweefsel hormoonreceptoren heeft. Bij een deel van de

mensen met een tumor in de borst, baarmoeder of prostaat is dat het geval ».

(7)

Onder het antigen HER2 dient te worden verstaan : « een receptor in de

tumorcel die een groeifactor kan opvangen, waardoor de tumorcel gestimuleerd

wordt. De verhoogde expressie van HER2 is een factor die de prognose

negatief beinvloedt. De aanwezigheid van dit antigen maakt behandeling

mogelijk met HER2-antilichamen ». (8)

29. Aangezien de resultaten van de analyses van de hormoonreceptoren en van

het antigen HER2 van grote invloed (kunnen) zijn op de te hanteren

behandeling en de slaagkansen van bepaalde behandelingen van borstkanker,

lijkt de opname van deze elementen in het kader van 'kankerregistratie' de

proportionaliteitstest van artikel 4, § 1, 3° WVP te doorstaan.

30. Het proportionaliteitsbeginsel, bepaald in artikel 4, § 1, 3° WVP, houdt

ook in dat de verwerking bij voorkeur moet worden uitgevoerd met anonieme

gegevens. Ingeval het gebruik van anonieme gegevens het onmogelijk zou maken

de doeleinden van de verwerking te bereiken, mag de verwerking worden

uitgevoerd met gecodeerde gegevens. Het is slechts ingeval het doel van de

verwerking onmogelijk bereikt kan worden met het gebruik van gecodeerde

gegevens dat er niet-gecodeerde gegevens mogen gebruikt worden. (9)

31. Voor de goede orde brengt de Commissie dienaangaande enkele definities

in herinnering :

persoonsgegevens : « iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of

identificeerbare natuurlijke persoon (...); als identificeerbaar wordt

beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met

name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke

elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische,

psychische, economische, culturele of sociale identiteit. » (10)

gecodeerde persoonsgegevens : « persoonsgegevens die slechts door middel van

een code in verband kunnen worden gebracht met een geïdentificeerd of

identificeerbaar persoon. » (11)

niet-gecodeerde persoonsgegevens : « andere dan gecodeerde

persoonsgegevens. » (12)

anonieme gegevens : « gegevens die niet met een geïdentificeerd of

identificeerbaar persoon in verband kunnen worden gebracht en derhalve geen

persoonsgegeven zijn. » (13)

32. Artikel 3, § 4, in fine van het ontwerp van koninklijk besluit stelt

uitdrukkelijk : « Elk van deze documenten worden in gecodeerde vorm

overgemaakt. »

33. Artikel 18 houdt eigenlijk, specifiek voor wat betreft de

'borstkliniek', een aanvulling in op artikel 11, § 1 van het koninklijk

besluit van 21 maart 2003, waarin de parameters worden opgesomd die in het

kader van de kankerregistratie dienen te worden geregistreerd. In § 1, derde

lid van dit artikel 11 wordt voorzien dat de gegevens maar worden

overgemaakt « na codering ».

34. De voorgenomen verwerkingen betreffen dus verwerkingen met gecodeerde

gegevens, wat lijkt te beantwoorden aan artikel 86 van de wet op de

ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (14), dat stelt :

« De beheerder van het ziekenhuis moet aan de Minister die de

Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, volgens de door de Koning

vastgestelde regels en binnen de termijn die Hij bepaalt, mededeling doen

van de financiële toestand, de bedrijfsuitkomsten, het in artikel 82

bedoelde verslag, alle statistische gegevens die met zijn inrichting en met

de medische activiteiten verband houden, alsmede de identiteit van de

directeur en/of van de voor de bovengenoemde mededelingen verantwoordelijke

persoon of personen.

De in het eerste lid bedoelde gegevens die verband houden met de medische

activiteiten mogen geen gegevens bevatten die de natuurlijke persoon waarop

ze betrekking hebben rechtstreeks identificeren. Er mogen geen handelingen

worden verricht die erop gericht zijn om deze gegevens in verband te brengen

met de geïdentificeerde natuurlijk persoon waarop ze betrekking hebben,

tenzij deze nodig zijn om de ambtenaren, aangestelden of adviserend

geneesheren aangewezen in artikel 115 de waarachtigheid van de medegedeelde

gegevens te laten nagaan. »

2.3 Kennisgeving aan de betrokkene

35. Krachtens artikel 9 WVP dient de betrokkene, op het ogenblik dat zijn

gegevens worden verkregen- of wanneer de gegevens niet bij hemzelf worden

verkregen- op het ogenblik van de registratie van de gegevens of mededeling

ervan aan derden, te worden geïnformeerd aangaande de beoogde verwerking

(verantwoordelijke, doeleinden, ontvangers,...).

36. Deze verplichte kennisgeving van de betrokkene vloeit voort uit de

basisbeginselen inzake eerlijkheid en transparantie, vastgelegd in artikel

4, § 1, 1° WVP. (15)

37. In dit verband kan eveneens worden verwezen naar het koninklijk besluit

van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en

hun diensten moeten worden nageleegd, inzonderheid artikel Nl, 9°quater, b)

en c) van de Bijlage waarin wordt voorzien in een kennisgeving aan de

patiënten van het reglement voor de bescherming van de persoonlijke

levenssfeer waarover elk ziekenhuis moet beschikken en dat informatie bevat

aangaande de verwerkingen van persoonsgegevens (o.a. doeleinde, wettelijke

basis, verantwoordelijke, ontvangers,...).

38. Het komt dan ook toe aan de 'borstkliniek' voormelde bepalingen ter

harte te nemen en aldus de betrokken patiënten te informeren aangaande de

verwerkingen van de hen betreffende persoonsgegevens, zoals voorzien in het

voorliggende ontwerp van koninklijk besluit.

2.4 Bewaartermijn van de gegevens

39. De Commissie wenst de aandacht te vestigen op artikel 4, § 1, 5° WVP dat

stelt dat de persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan voor de

verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen noodzakelijk

is.

40. Het ontwerp van koninklijk besluit, evenmin als het koninklijk besluit

van 21 maart 2003, voorziet dienaangaande niets, wat betekent dat in de

huidige stand van zaken alle geregistreerde persoonsgegevens oneindig kunnen

worden bewaard.

41. Het is dus aangewezen dat in het ontwerp van koninklijk besluit een

maximumtermijn wordt vastgelegd, waarna alle informatie van persoonlijke

aard moet worden vernietigd.

Inzonderheid, dienen de persoonsgegevens die worden geregistreerd met het

oog op de evaluatie van het activiteitsniveau van de borstkliniek (zie

artikel 3, § 4 van het ontwerp), te worden vernietigd van zodra op basis van

deze evaluatie de erkenning al dan niet werd toegekend.

2.5 Verantwoordelijkheid en veiligheidsmaatregelen

42. De Commissie brengt in herinnering dat, overeenkomstig artikel 7, § 4

WVP, persoonsgegevens betreffende de gezondheid enkel mogen worden verwerkt

onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar in de

gezondheidszorg. De verspreiding van dergelijke gegevens valt onder artikel

458 Strafwetboek betreffende het beroepsgeheim.

43. Bovendien legt artikel 16, § 4 WVP op dat : « de gepaste technische en

organisatorische maatregelen moeten worden getroffen die nodig zijn voor de

bescherming van de persoonsgegevens (...) Deze maatregelen moeten een

passend beveiligingsniveau verzekeren, rekening houdend, enerzijds, met de

stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de

maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de

potentiële risico's ».

44. Persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, verantwoorden omwille van

hun aard (gevoelige persoonsgegevens) meer verregaande

beveiligingsmaatregelen.

45. Ook in haar advies nr. 14/2002 van 8 april 2002 aangaande het ontwerp

van koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan het

zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor

oncologie moeten voldoen om te worden erkend, vestigde de Commissie reeds de

aandacht op artikel 16, § 4 WVP en drong erop aan dat bijzondere regels

zouden worden voorzien met betrekking tot de beveiliging van de overdracht

van de gegevens door de ziekenhuizen.

46. De Commissie is van oordeel dat de verantwoordelijke voor de verwerking

minimaal volgende maatregelen moet nemen :

- de opmaak van een nominatieve lijst van de personen aan wie de toegang tot

deze gezondheidsgegevens is toegestaan en de ondertekening door deze

personen van een verbintenis van vertrouwelijkheid (16);

- de modaliteiten van de schriftelijke procedures bepalen die de bescherming

van de gegevens betreffende de gezondheid bepalen en die de verwerking ervan

beperken tot een verwerking conform het beoogde doeleinde;

- het op punt stellen van organisatorische en technische maatregelen die

verzekeren dat enkel aan de gemachtigde personen toegang wordt verschaft tot

deze persoonsgegevens.

2.6 Aangifte

47. Artikel 17 WVP voorziet dat « voordat wordt overgegaan tot één of meer

volledig of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van gegevens die voor

de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende

doeleinden bestemd zijn, de verantwoordelijke voor de verwerking, of in

voorkomend geval, diens vertegenwoordiger, daarvan aangifte doet bij de

Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ».

48. In deze aangifte dienen de inlichtingen opgesomd door artikel 17, § 3

WVP te worden gepreciseerd.

49. Aangifte kan worden gedaan aan de hand van een papieren formulier dat

kan worden bekomen bij de Commissie. Er kan echter ook elektronisch worden

aangegeven via de website van de Commissie (www.privacycommission.be).

III. Besluit

50. De Commissie is van oordeel dat de beoogde verwerking een rechtmatige

verwerking van persoonsgegevens betreft, voor zover rekening wordt gehouden

met de door haar gemaakte opmerkingen en aanbevelingen, samengevat :

- evaluatie van de noodzaak van mededeling van én het volledig verslag van

het multidisciplinair oncologisch consult (MOC), en het protocol van de

belangrijkste chirurgische interventie - met hierbij het overeenstemmende

anatomopathologische protocol teneinde het bewijs van een nieuwe diagnose te

kunnen leveren (zie overweging 29);

- informatieverstrekking aan de betrokken patiënten (zie overweging 38);

- het voorzien in een maximum bewaartermijn van de (gecodeerde)

persoonsgegevens, inzonderheid deze betreffende de evaluatie van het

activiteitsniveau (zie overweging 41);

- de uitwerking van technische en organisatorische maatregelen die een

passend beveiligingsniveau verzekeren (zie overweging 46).

Om deze redenen

51. Brengt de Commissie, onder voorbehoud van de gemaakte opmerkingen, een

gunstig advies uit over het ontwerp van koninklijk besluit houdende

vaststelling van de normen waaraan het gespecialiseerd oncologisch

zorgprogramma voor borstkanker moet voldoen om te worden erkend,

De administrateur,

(get.) Jo Baret

De ondervoorzitter,

(get) Willem Debeuckelaere

_______

Nota's

(1) Artikel 9quater van de wet op de ziekenhuizen :

« § 1. De Koning stelt, na advies van de Nationale Raad voor

ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling Programmatie en Erkenning, de lijst van

zorgprogramma's, zoals die door Hem nader worden omschreven, en die moeten

erkend worden door de Overheid bevoegd voor het gezondheidsbeleid op grond

van de artikelen 128, 130 of 135 van de Grondwet.

§ 2. De Koning kan, voor ieder der in § 1 bedoelde zorgprogramma's,

karakteristieken definiëren om te kunnen erkend worden zoals :

1° de doelgroep;

2° de aard en de inhoud van de zorg;

3° het minimaal activiteitsniveau;

4° de vereiste infrastructuur;

5° de vereiste medische en niet-medische personeelsomkadering en

deskundigheid;

6° kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging;

7° bedrijfseconomische criteria;

8° geografische toegankelijkheidscriteria.

§ 3. De Koning kan, na de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen,

Afdeling Programmatie en Erkenning, gehoord te hebben, de toepassing van de

bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk, en met de nodige

aanpassingen, uitbreiden tot de in § 1 bedoelde zorgprogramma's. »

(2) Artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 : « Voor de

toepassing van artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op

7 augustus 1987, wordt beschouwd als zorgprogramma :

- de reproductieve geneeskunde;

- de cardiale pathologie;

- de oncologie. »

Artikel 2ter van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 : « § 1. Het in

artikel 1 bedoelde zorgprogramma « oncologie » onderscheidt zich in :

1° het « zorgprogramma voor oncologische basiszorg » dat zich richt op de

diagnose, de behandeling en de opvolging van oncologische aandoeningen van

patiënten van 16 jaar of ouder overeenkomstig de richtlijnen en

verwijsafspraken opgenomen in het multidisciplinair oncologisch handboek dat

dient gebruikt te worden binnen het zorgprogramma, zonder afbreuk te doen

aan de vrije keuze van de patiënt;

2° het « zorgprogramma voor oncologie » dat zich richt op de diagnose, de

multidisciplinaire behandeling en de opvolging van oncologische aandoeningen

van patiënten van 16 jaar of ouder rekening houdend met de richtlijnen en/of

verwijsafspraken in het multidisciplinair oncologisch handboek dat dient

gebruikt te worden binnen het zorgprogramma, zonder afbreuk te doen aan de

vrije keuze van de patiënt.

§ 2. De artikelen 68, 71, met uitzondering van de bepaling die de integratie

in het in artikel 23 bedoelde programma als erkenningsvoorwaarde oplegt, 72,

73, 74, 75, 76 en 86 van voormelde wet zijn van toepassing op de

zorgprogramma's bedoeld in § 1, 1° en 2°. »

(3) Zie Verslag aan de Koning, punt IV, 10e alinea : « De tweede registratie

met name de registratie van de implementatie van de richtlijnen van het

oncologisch handboek, komt neer op een kwantitatieve, procentuele weergave

per richtlijn over het al dan volgen ervan. Van enige registratie van

persoonsgegevens is hier geen sprake. Dientengevolge werd dan ook op dit

vlak geen rekening gehouden met de opmerkingen van de Commissie voor de

bescherming van de persoonlijke levenssfeer. »

(4) Artikel 11, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 21 maart 2003

: « De gegevens van de kankerregistratie worden binnen de zes maanden na het

verstrijken van het jaar gedurende hetwelk de registratie heeft plaatsgehad,

na codering, overgemaakt aan de Minister die de Volksgezondheid onder zijn

bevoegdheid heeft en aan het college voor oncologie bedoeld in artikel 38. »

(5) Zie verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van 13 februari

2001 ter uitvoering van de WVP, blz. 7846 e.v. en Advies van de Commissie

nr. 06/2006 van 1 maart 2006 betreffende het voorontwerp van decreet van het

Parlement van het Waals Gewest betreffende de inzameling van

epidemiologische gegevens over aangeboren afwijkingen en Advies nr. 14/2006

van 24 mei 2006 betreffende het ontwerp van koninklijk besluit houdende

bepaling van de regels volgens dewelke bepaalde ziekenhuisgegevens moeten

worden medegedeeld aan de Minister die de Volksgezondheid onder zijn

bevoegdheid heeft.

(6) Zie verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van 13 februari

2001 ter uitvoering van de WVP, blz. 7847.

(7) Zie http://www.kwfkankerbestrijding.nl/content/pages/

Hormonales_therapie_html#2

(8) Zie http://www.borstkanker.net/hoofdframe.html? prognose.html&2

(9) Voor de toepassing van dit principe in het domein van het medisch

onderzoek, zie : L. DELPLANQUE en M.-N. VERHAEGEN, La réutilisation de

données a caractère personnel relatives a la santé en recherche médicale

sous l'angle du droit belge : « quand l'intérêt de la recherche rencontre

celui de la protection de la vie privée du participant », in Revue de droit

de la santé, 2004-2005, blz. 20 ev.

(10) Artikel 1, § 1 WVP

(11) Artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter

uitvoering van de WVP en ook Memorie van Toelichting van de wet van 11

december 1998 tot omzetting van de Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995

van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van

natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en

betreffende het vrij verkeer van die gegevens, 1566/1, 97/98, blz. 12 : «

Ook gecodeerde informatie waarbij door de verantwoordelijke voor de

verwerking zelf niet kan nagegaan worden op welk individu de informatie

betrekking heeft, vermits hij niet in het bezit is gesteld van de daarvoor

noodzakelijke sleutels, wordt derhalve als 'persoonsgegevens' beschouwd

indien de identificatie nog door iemand anders kan verricht worden. »

(12) Artikel 1, 4° van voormeld koninklijk besluit van 13 februari 2001.

(13) Artikel 1, 5° van voormeld koninklijk besluit van 13 februari 2001 en

zie ook Memorie van Toelichting van voormelde wet van 11 december 1998,

1566/1, 97/98, blz. 12 : « Bij anonimisering verliest informatie over

natuurlijke personen dus slechts het karakter van persoonsgegevens, indien

de anonimisering absoluut is en er met geen redelijkerwijs inzetbaar middel

nog een terugweg uit de anonimiteit mogelijk is. »

(14) Vóór de wijziging bij de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale,

budgettaire en andere bepalingen (Belgisch Staatsblad, 31 augustus 2000),

bepaalde het tweede lid van artikel 86 het volgende : « De in het eerste lid

bedoelde gegevens die verband houden met de medische activiteiten dienen

anoniem te zijn. » Ingevolge deze wijziging konden de anonieme gegevens dus

vervangen worden door gecodeerde gegevens.

(15) Zie o.a. DE BOT, D., Verwerking van persoonsgegevens, Kluwer, blz. 115.

(16) Zie artikel 25, 1°, 2° en 3° van het koninklijk besluit van 13 februari

2001 tot uitvoering van de WVP.



Advies 42.336/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State

De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 16 februari 2007 door

de Minister van Volksgezondheid verzocht hem, binnen een termijn van dertig

dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit «

houdende vaststelling van de normen waaraan het gespecialiseerd oncologisch

zorgprogramma voor borstkanker moet voldoen om te worden erkend », heeft op

13 maart 2007 het volgende advies gegeven :

1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde

wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op

het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de

rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten.

Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten.

Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de

haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft

kunnen verrichten.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp

2. Het om advies voorgelegde ontwerpbesluit strekt tot de vaststelling van

erkenningsnormen voor een nieuw zorgprogramma binnen het bestaande

zorgprogramma « oncologie », namelijk het zorgprogramma voor borstkanker.

Het hangt samen met het ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van

het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst

van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de

ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de

artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn »

(1), waarbij dit nieuwe zorgprogramma wordt opgericht en een aantal

bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987

(hierna ziekenhuiswet), van toepassing worden verklaard op dit

zorgprogramma.

In het ontwerp wordt de doelgroep van het zorgprogramma omschreven, alsook

de aard en de inhoud van de zorgen die in dit zorgprogramma worden verstrekt

(artikel 2). Er moet een minimaal activiteitsniveau worden behaald en

aangetoond (artikel 3). Voorts worden in het ontwerp de medische, de

verpleegkundige, de psychosociale en de andere omkadering van het programma

geregeld (artikelen 4 tot 12).

Het ontwerp bevat ook bepalingen met betrekking tot de vorming van het

personeel (artikel 13) en de kwaliteitsbewaking. Daartoe wordt onder meer

voorzien in een multidisciplinair oncologisch handboek (artikel 14), in de

oprichting van een werkgroep « Borstpathologie » (artikel 15), in een

aanvulling van de kankerregistratie (artikel 16) en in een multidisciplinair

overleg (artikel 17). De mededeling van de diagnose en het behandelingsplan

wordt eveneens geregeld (artikel 18).

Het zorgprogramma moet een samenwerkingsakkoord sluiten met bepaalde andere

zorgvoorzieningen (artikel 19), beschikken over een bepaalde uitrusting en

een beroep kunnen doen op bepaalde diensten (artikelen 20 en 21). Tevens

worden bepaalde eisen opgelegd inzake de inrichting en de beschikbaarheid

ten aanzien van de patiënten (artikelen 22 tot 24).

3.1. Overeenkomstig artikel 9quater van de ziekenhuiswet, kan de Koning

bepalingen van die wet toepasselijk verklaren op de zorgprogramma's die Hij

opricht. Die wetsbepalingen worden, voor wat betreft het zorgprogramma «

oncologie », opgesomd in artikel 2ter, § 2, van het koninklijk besluit van

15 februari 1999, zoals dat besluit zal worden gewijzigd bij het besluit

over de ontwerpvorm waarvan de Raad van State heden advies 42.335/3

verleent. Voor die bepalingen biedt artikel 68 in hoofdzaak de rechtsgrond.

3.2. Daarnaast moet voor een aantal bepalingen ervan een bijkomende

rechtsgrond worden ingeroepen. Zo moet voor de artikelen 14 en 17 van het

ontworpen besluit rechtsgrond worden gezocht in artikel 15 van de

ziekenhuiswet, waarvan melding zou moeten worden gemaakt in artikel 2ter, §

2, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999. Daarnaast verdient het

aanbeveling, gelet op de inhoudelijke samenhang met de kwalitatieve toetsing

van de verpleegkundige activiteit, om met betrekking tot de artikelen 14 en

17 ook te refereren aan artikel 17quater van de ziekenhuiswet, dat eveneens

zou moeten worden vermeld in artikel 2ter, § 2, van het koninklijk besluit

van 15 februari 1999 (2). Ook artikel 86 van de ziekenhuiswet biedt

aanvullend rechtsgrond voor het ontworpen besluit, meer bepaald voor artikel

16 ervan, dat betrekking heeft op de externe registratie.

3.3. Artikel 76sexies van de ziekenhuiswet vormt daarenboven een bijkomende

(rechtstreeks toepasselijke) rechtsgrond voor een aantal bepalingen van het

ontwerp met betrekking tot de vereisten inzake uitbating op verscheidene

vestigingsplaatsen (zo bijvoorbeeld artikel 2, § 2, tweede lid, van het

ontwerp, dat rechtsgrond vindt in artikel 76sexies, § 3).

Vormvereisten

4. Het akkoord van de Minister van Begroting dient nog te worden ingewonnen.

Algemene opmerkingen

5. Het ontwerp vertoont tal van gebreken op terminologisch, taalkundig (3),

legistiek en formeel (4) vlak, zelfs in die mate dat het onderzoek van de

Raad van State erdoor werd bemoeilijkt, en dit in een periode dat zeer veel

adviesaanvragen werden ingediend met toepassing van artikel 84, § 1, eerste

lid, 1° en 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

In wat volgt worden een aantal voorbeelden gegeven van zulke

onvolkomenheden, die geenszins een exhaustief karakter hebben. Het is aan de

stellers ervan om het ontwerp op al die vlakken aan een grondig onderzoek te

onderwerpen (5).

6. Op verscheidene plaatsen in het ontwerp wordt verwezen naar het «

koninklijk besluit van 21 maart 2003 », zonder toevoeging van het opschrift

(« houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor

oncologische basiszorg en het zorgprogramma vooroncologie moeten voldoen om

te worden erkend »). Het verdient aanbeveling hiervoor een definitie in te

voegen of aan de eerste verwijzing (in artikel 2, § 2, waar het opschrift

wel wordt vermeld) de woorden « , hierna genoemd het koninklijk besluit van

21 maart 2003 » toe te voegen.

7. Op verscheidene plaatsen in het ontwerp wordt verwezen naar « het

zorgprogramma oncologie waarvan het (de borstkliniek) de bovenbouw vormt ».

Er kan evenwel worden volstaan met een verwijzing naar het zorgprogramma «

oncologie ».

8. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft in

haar advies van 29 november 2006 geadviseerd om in het ontwerp een

maximumtermijn te bepalen waarna alle informatie van persoonlijke aard moet

worden vernietigd, en om inzonderheid de persoonsgegevens die worden

geregistreerd met het oog op de evaluatie van het activiteitsniveau van de

borstkliniek te vernietigen van zodra de erkenning op basis van deze

evaluatie al dan niet werd verleend (punt 41 van het advies).

De repliek in het verslag aan de Koning dat artikel 4, § 1, 5°, van de wet

van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten

opzichte van de verwerking van persoonsgegevens de kwestie reeds regelt is

niet ter zake, nu de Commissie een concretere regeling vraagt dan die vervat

in de zo-even vermelde algemene en voor uiteenlopende interpretatie vatbare

wetsbepaling. Het is dus aan de stellers van het ontwerp om een concrete

termijn uit te werken, al kan worden aangenomen dat de ontworpen regeling

daarvoor wat te specifiek is en dat die termijn wellicht beter op een

andere, meer algemene wijze wordt geregeld in de reglementering met

betrekking tot de ziekenhuizen.

Een vergelijkbare opmerking kan worden gemaakt bij de opmerkingen van de

Commissie voor wat betreft passende beveiligingsmaatregelen (punt 46 van het

advies).

Onderzoek van de tekst

Aanhef

9. Gelet op hetgeen is opgemerkt omtrent de rechtsgrond voor het ontworpen

besluit, dient het eerste lid van de aanhef te worden aangevuld met een

verwijzing naar artikel l7quater van de ziekenhuiswet. In dat lid, alsmede

in het tweede lid van de aanhef, is de vermelde wetshistoriek niet correct,

wat dient te worden verholpen.

10. Het zevende lid van de aanhef dient als volgt te worden geredigeerd :

« Gelet op advies 42.336/3 van de Raad van State, gegeven op 13 maart 2007,

met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde

wetten op de Raad van State; ».

Artikel 3

11. In artikel 3, § 2, schrijve men in de Nederlandse tekst « het in § 1,

derde lid, bedoelde aantal nieuwe diagnoses heeft gesteld » in plaats van

« het in het derde lid van de vorige paragraaf bedoeld in § 1, derde lid,

aantal diagnoses heeft gesteld », en in de Franse tekst « visé au § 1er,

alinéa 3 » in plaats van « tel que visé au § 1er, alinéa 3 ».

12. In artikel 3, § 3, eerste lid, schrijve men « Voor de toepassing van dit

artikel » in plaats van « Voor de toepassing van dit besluit ».

13. In de Nederlandse tekst van artikel 3, § 3, tweede lid, dient het woord

« borstkliniek » na het woord « gerealiseerd » te worden geschrapt.

14. In artikel 3, § 3, derde lid, c), ontbreekt in de Nederlandse tekst het

equivalent van het Franse woord « médicamenteuse ».

Artikel 4

15. In artikel 4, eerste lid, 1°, laatste lid (6), dient de Franse tekst te

worden herwerkt.

Artikel 5

16. In artikel 5, eerste lid, is er een discordantie tussen de Nederlandse

en de Franse tekst, waar in de Nederlandse tekst gewag wordt gemaakt van «

geneesheer-specialist in de heelkunde », en in de Franse tekst van « médecin

spécialiste en chirurgie gynéco-mammaire ». Het is wellicht de Nederlandse

tekst die in het licht van de Franse tekst dient te worden aangepast.

17. In artikel 5, derde lid, dient allicht te worden verwezen naar « acht

halve dagen per week ».

18. Het valt moeilijk in te zien hoe de samenwerking tussen de coördinator

van het zorgprogramma voor borstkanker en de coördinator van het

zorgprogramma « oncologie » determinerend kan zijn voor het voldoen aan de

erkenningsnormen voor beide zorgprogramma's. Wellicht kunnen in artikel 5,

vijfde lid, de woorden « teneinde samen te voldoen... bedoeld in dit

besluit » worden weggelaten.

Artikel 6

19. In de Nederlandse versie van artikel 6 ontbreekt bij het begin de

vermelding « § 1 ».

20. Het vereiste opgenomen in artikel 6, § 2, dat er een « voldoende

aantal » verpleegkundigen ter beschikking van de borstkliniek moeten worden

gesteld, dat in de Nederlandse tekst overigens tweemaal voorkomt, is te

vaag. Ofwel dient het aantal te worden gepreciseerd, ofwel dient artikel 6,

§ 2, te worden weggelaten.

Artikel 10

21. Artikel 10, § 2 (lees tweede lid), heeft geen uitstaans met de

personeelsomkadering en wordt daarom beter elders opgenomen, meer bepaald in

hoofdstuk 6 (lees VI (7)).

Artikel 11

22. De concrete draagwijdte van artikel 11 is volstrekt onduidelijk.

De voorwaarden met betrekking tot de personeelsomkadering voor het in het

ontwerp bedoelde zorgprogramma hangt in beduidende mate af van de

voorwaarden die gelden voor het zorgprogramma « oncologie » (en niet « het

oncologisch », zoals in de Nederlandse tekst), zodat de indruk ontstaat dat

artikel 11, a) (lees 1°), een impliciete wijziging inhoudt van die laatste

voorwaarden, die worden geregeld in de artikelen 14 tot 19 van het

koninklijk besluit van 21 maart 2003.

Bovendien is de regel, opgenomen in artikel 11, b) (lees 2°), dat de

omkadering « naar aantal [moet] voorden aangepast aan de aard en het volume

van de patiëntenproblemen » te vaag om te kunnen figureren in een normatieve

tekst.

Hoofdstuk 5

23. De Nederlandse en de Franse tekst van het opschrift van hoofdstuk 5

(lees V) zijn zeer discordant, wat dient te worden verholpen.

Artikel 14

24. In de Nederlandse tekst schrijve men « Art. 14. » in plaats van « Art.

15. » .

25. Artikel 14, § 1, tweede lid, is onduidelijk gesteld en dient daarom te

worden geherformuleerd.

26. In artikel 14, § 2, schrijve men « de werkgroep borstpathologie bedoeld

in artikel 15 » in plaats van « de groep "borstpathologie" van de

borstkliniek » en dient in de Nederlandse tekst het woord « opgesteld » te

worden toegevoegd na die passus.

Artikel 15

27. In artikel 15, § 1, tweede lid, a) (lees 1°), schrijve men « koninklijk

besluit » in plaats van « KB ».

Artikel 17

28. In artikel 17, § 2, wordt verwezen naar de voorwaarden voor de

terugbetaling van een verstrekking. Wellicht wordt de verstrekking met

nomenclatuurcode 350313-350324 bedoeld. Het is echter de vraag of die

verwijzing niet beter kan worden weggelaten, omdat het ongebruikelijk is in

erkenningsnormen met betrekking tot ziekenhuizen te verwijzen naar

voorwaarden die in het raam van de ziekteverzekering worden vastgesteld. Die

verwijzing komt overigens ook niet voor in de erkenningsnormen voor de twee

andere zorgprogramma's inzake oncologie.

Artikel 18

29. Artikel 18 dat vooral betrekking heeft op de verhouding tussen de

patiënt en de zorgverstrekkers, lijkt beter op zijn plaats te zijn in

hoofdstuk 7 (lees VII (8)) van het ontwerp, waar reeds vergelijkbare

bepalingen voorkomen. Het artikel heeft alleszins weinig te maken met de

kwaliteitsbewaking van de medische activiteit in het zorgprogramma.

Artikel 19

30. In artikel 19, eerste lid, a) (lees 1°), wordt verwezen naar

voorzieningen die door de gemeenschappen worden genormeerd en erkend. Het

verdient aanbeveling in die bepaling de benaming te gebruiken die in artikel

2, 3°, van het protocolakkoord van 25 oktober 2000 tot samenwerking tussen

de Federale Overheid en de Gemeenschappen inzake mammografische

borstkankerscreening wordt gebruikt, namelijk « mammografieeenheden » (in

plaats van « eenheid voor mammografische depistage »).

Er zou eveneens moeten worden verduidelijkt of ook een samenwerkingsakkoord

moet worden gesloten met een eenheid die voor de tweede lezing, in de zin

van artikel 2, 3°, van dat protocolakkoord, instaat. Ook indien die tweede

lezing zou gebeuren in het raam van het ontworpen zorgprogramma, lijkt

alleszins niet vast te staan dat die altijd samenvalt met de door de

gemeenschappen genormeerde eenheden die instaan voor de tweede lezing.

Hoofdstuk 7

31. In de Nederlandse tekst dient de nummering van het hoofdstuk te worden

verbeterd.

Artikel 20

32. Om betwistingen en rechtsonzekerheid te vermijden, verdient het

aanbeveling in artikel 20, eerste lid, te preciseren wat wordt bedoeld met

« onmiddellijke nabijheid ».

Artikel 21

33. De stellers van het ontwerp dienen zich af te vragen of er in het geval

bedoeld in de derde zin van artikel 21, eerste lid, niet moet worden

voorzien in het vereiste van een samenwerkingsakkoord met het ziekenhuis dat

zowel over een dienst radiotherapie als over een borstkliniek beschikt.

Artikel 22

34. De verwijzing in artikel 22 naar « artikel 14, § 1 » is niet correct,

wat dient te worden verholpen.

Artikel 24

35. De formulering van artikel 24, a), eerste lid (9), is niet duidelijk wat

dient de worden verholpen.

36. De aanvang van artikel 24, b), moet in de Nederlandse tekst worden

afgestemd op de inleidende zin van het artikel.

De kamer was samengesteld uit :

De Heren :

D. Albrecht, kamervoorzitter,

J. Smets en B. Seutin, staatsraden,

H. Cousy en J. Velaers, assessoren van de afdeling wetgeving,

Mevr. A. M. Goossens, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. Van Nieuwenhove, auditeur.

De griffier,

A.-M. Goossens.

De voorzitter,

D. Albrecht.

_______

Nota's

(1) Over dit ontwerp verleent de Raad van State heden advies 42.335/3.

(2) Zie opmerking 9 van advies 42.335/3.

(3) Onder meer wat betreft de concordantie tussen de Nederlandse en de

Franse tekst.

(4) Zo bevat de Nederlandse tekst van het ontwerp tal van tikfouten.

(5) Wat betreft de legistiek, zie Wetgevingstechniek - Aanbevelingen en

formules, te consulteren via www.raadvst-consetat.be.

(6) In een opsomming mogen evenwel geen tussenzinnen of leden worden

ingevoegd, niet enkel om taalkundige redenen maar ook, en vooral, omdat

daardoor vergissingen bij verwijzingen of bij latere wijzigingen kunnen

ontstaan.

(7) Hoofdstukken worden genummerd met Romeinse, en niet met Arabische

cijfers.

(8) Zie ook opmerking 31.

(9) Zie hieromtrent voetnoot 6.



26 APRIL 2007. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen

waaraan het gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma voor borstkanker moet

voldoen om te worden erkend

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987,

inzonderheid op artikel 9quater ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25

april 1997 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, artikel 15 gewijzigd

bij de wet van 29 april 1996, artikel 17quater, ingevoegd bij de wet van 29

december 1990 en gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, artikel 68,

gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 en de wet van 12

december 1997, artikel 76sexies, ingevoegd bij de wet van 27 april 2005 en

artikel 86 gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, de wet van 12 augustus

2000 en de wet van 22 augustus 2002;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de

lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de

ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de

artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn,

gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 juni 1999, 21 maart 2003, 13

juli 2006, 29 januari 2007 en 26 april 2007;

Gelet op het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen,

Afdeling Programmatie en Erkenning, gegeven op 13 juli 2006;

Gelet op het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke

Levenssfeer, gegeven op 29 november 2006;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 12 december 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 27 maart

2007;

Gelet op het advies nr. 42.336/3 van de Raad van State, gegeven op 13 maart

2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de

gecoördineerde wetten op de Raad van State gewijzigd door de wet van 2 april

2003;

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1. Om te worden erkend en erkend te blijven moet het gespecialiseerd

oncologisch zorgprogramma voor borstkanker voldoen aan de normen vastgesteld

in dit besluit.

Dit gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma voor borstkanker wordt hierna

« borstkliniek » genoemd.

HOOFDSTUK II. - Doelgroep, aard en inhoud van de zorg

Art. 2. § 1 De borstkliniek is gericht op de diagnose, de multidisciplinaire

behandeling, de opvolging, en de revalidatie van patiënten met kwaadaardige

aandoeningen van de borst(en) overeenkomstig de richtlijnen van het

multidisciplinair oncologisch handboek zoals bedoeld in artikel 14 dat dient

gebruikt te worden binnen het zorgprogramma zonder afbreuk te doen aan de

vrije keuze van de patiënt.

§ 2. De borstkliniek kan enkel worden uitgebaat als bovenbouw op een

zorgprogramma voor oncologie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 21

maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma

voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten

voldoen om te worden erkend, hierna genoemd « het koninklijk besluit van 21

maart 2003 ».

Voor de borstklinieken die worden uitgebaat door een ziekenhuis, is artikel

76sexies, § 2, 2°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7

augustus 1987, niet van toepassing gedurende de eerste drie jaar die volgen

op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Het vorige lid is niet van toepassing op de borstklinieken die worden

uitgebaat door associaties.

HOOFDSTUK III. - Minimaal activiteitsniveau

Art. 3. § 1. Teneinde een erkenning voor een borstkliniek te bekomen, moet

een bestaande behoefte evenals een ervaring op medisch vlak omstandig te

worden gemotiveerd.

Voor de eerste aanvraag tot erkenning en voor zover deze wordt ingediend

binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit,

dient deze bestaande behoefte aangetoond te worden door jaalijks ten minste

100 nieuwe diagnoses van borstkanker zoals bedoeld in §§ 3 en 4, hetzij het

jaar vóór de aanvraag tot erkenning, hetzij als gemiddelde gedurende de

laatste drie jaar voor de aanvraag tot erkenning.

Na de twee eerste jaren die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit

bedraagt het vereiste activiteitsniveau zoals bedoeld in het tweede lid, 150

nieuwe diagnoses van borstkanker.

Het vorige lid is niet van toepassing voor zover er geen andere borstkliniek

wordt uitgebaat binnen een straal van 50 km van bedoeld zorgprogramma.

§ 2. Om erkend te blijven moet de borstkliniek aantonen dat het elke drie

jaar, het laatste jaar of als gemiddelde gedurende de laatste drie jaar vóór

de verlenging van de erkenning, het in § 1, derde lid, bedoelde aantal

nieuwe diagnoses heeft gesteld.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder « nieuwe diagnose van

borstkanker » verstaan, elk geval van borstkanker die voor het eerst wordt

vastgesteld, om het even welk type en in om het even welk stadium ervan, met

inbegrip van de kankers in situ, en die vervolgens worden behandeld binnen

de borstkliniek.

In het geval de eerste diagnose is gesteld op een andere plaats dan de

borstkliniek, maar de eerste behandeling er wel degelijk wordt gerealiseerd,

wordt de diagnose uitsluitend in deze laatste in rekening gebracht.

Voor de toepassing van dit artikel worden niet meegerekend bij de nieuwe

diagnoses :

1° de patiënten die voor de uitvoering van radiotherapie naar de

borstkliniek worden doorverwezen;

2° de patiënten die in een ander ziekenhuis of op een andere

vestigingsplaats van een ziekenhuis reeds een primaire behandeling hebben

ondergaan;

3° de patiënten die enkel voor een adjuvante geneesmiddelentherapie worden

verwezen;

4° de patiënten waarvoor uitsluitend de follow-up in de borstkliniek wordt

georganiseerd nadat de primaire behandeling had plaatsgevonden in een andere

ziekenhuis of vestigingsplaats van een ziekenhuis;

5° de patiënten waarvan de eerste diagnose is gesteld en die vervolgens, met

het oog op een behandeling naar een ander ziekenhuis of een andere

vestigingsplaats worden doorverwezen.

De gevallen bedoeld in het 5°, van het vorige lid, worden voor de toepassing

van dit artikel in rekening gebracht bij de borstkliniek van het ziekenhuis

of de vestigingsplaats waarnaar de bedoelde patiënten worden behandeld.

§ 4. Het bewijs van de nieuwe diagnosen zoals gedefinieerd in dit artikel is

onder meer gebaseerd op :

- de afschriften van de protocollen van de belangrijkste heelkundige

ingreep, met hierbij het overeenstemmende anatomopathologische protocol;

- in het geval er geen heelkundige ingreep plaatsvindt de afschriften van de

verslagen van het multidisciplinair oncologisch overleg.

Deze afschriften worden gedurende tien jaar in het ziekenhuis ter

beschikking gehouden van de voor de erkenning bevoegde overheid en worden

vervolgens vernietigd.

§ 5. In het ziekenhuis worden de nodige maatregelen genomen teneinde de

beveiliging van de in de vorige paragraaf bedoelde gegevens te waarborgen.

Met het oog op de toepassing van het vorige lid worden, onverminderd de

toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de

persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

en diens uitvoeringsbesluiten, door de in dezelfde wet bedoelde

verantwoordelijke van de verwerking tenminste de volgende maatregelen

genomen :

1° de opmaak van een nominatieve lijst van de personen aan wie de toegang

tot bedoelde gezondheidsgegevens is toegestaan en de ondertekening door deze

personen van een verbintenis van vertrouwelijkheid;

2° de modaliteiten van de schriftelijke procedures bepalen die de

bescherming van bedoelde gegevens betreffende de gezondheid bepalen en die

de verwerking ervan beperken tot een verwerken conform het beoogde

doeleinde;

3° het op punt stellen van organisatorische en technische maatregelen die

verzekeren dat enkel aan de gemachtigde personen toegang wordt verschaft tot

deze persoonsgegevens.

HOOFDSTUK IV. - Medische en niet-medische omkadering en deskundigheid

Afdeling 1. - Medische omkadering

Art. 4. De borstkliniek moet minstens beschikken over geneesheren van de

volgende disciplines die zijn verbonden met de borstkliniek en die voldoen

aan de volgende voorwaarden :

1° ten minste twee geneesheer-specialisten in de heelkunde of in de

gynaecologie-verloskunde met een specifieke ervaring in

borstkankerchirurgie.

De bedoelde geneesheren-specialisten moeten jaarlijks ten minste 50

heelkundige interventies verrichten voor nieuwe gevallen van borstkanker.

Tenminste één van beiden dient een ervaring te hebben van tenminste drie

jaar wat betreft borstkankerchirurgie et tenminste gedurende het jaar

voorafgaand aan de aanvaag tot erkenning het in het vorige lid bedoelde

aantal heelkundige ingrepen verricht hebben.

Bedoelde geneesheer-specialisten moeten ten minstens acht halve dagen per

week besteden in het ziekenhuis;

2° tenminste twee geneesheren-specialsten in de röntgendiagose met een

ervaring in de mammografie en echografie van de borst evenals in de techniek

van het verzamelen van borststalen..

De bedoelde geneesheren-specialisten dienen jaarlijks ten minste 1 000

mammografiën af te lezen of te herlezen. Deze mammografiën kunnen zowel

diagnostisch als met het oogmerk tot screening zijn.

Eén van beiden dient een ervaring van tenminste drie jaar te hebben in

bedoeld domein en gedurende tenminste het jaar voorafgaand aan de aanvraag

tot erkenning, beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in het vorige lid.

Eén van deze geneesheren-specialisten dient tenminste een ervaring te hebben

in andere technieken van medische beeldvorming, zoals technieken inzake

interventionele medische beeldvorming die nuttig zijn in geval van

borstkanker en de nucleaire magnetische resonantie tomograaf;

3° teminste een geneesheer-specialist in de pathologische anatomie met een

ervaring van tenminste drie jaar in de diagnose van borstpathologieën. Een

geneesheer-specialist in de pathologische anatomie dient op elk moment

beschikbaar te zijn en op de vestigingsplaats aanwezig te zijn tijdens de

betrokken heelkundige ingrepen;

4° tenminste een geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie,

desgevallend als consulent van de diens radiotherapie in het kader van het

samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 22, met ten minste drie jaar

ervaring in de behandeling van borstkanker;

5° tenminste een geneesheer-specialist in de de medische oncologie die ten

minste 8 halve dagen besteedt aan het ziekenhuis dat de borstkliniek uitbaat

en die ten minste drie jaar ervaring heeft in de behandeling van

borstkanker;

6° tenminste een geneesheer-specialist in de plastische, reconstructieve en

esthetische heelkunde die een ervaring heeft in de behandeling van patiënten

met borstkanker.

Deze geneesheer of geneesheren moet(en) verzekeren dat :

1° de onmidellijke procedures van reconstructie, met name gedurende dezelfde

operatietijd als deze van exerese, beschikbaar zijn en aan patiënten die

ervoor in aanmerking komen worden voorgesteld;

2° de wachttermijn voor een onmiddellijk reconstructie de primaire

behandeling van de aandoening niet vertraagt;

3° de patiënt na de operatie wordt opgevolgd zowel tijdens de hospitalisatie

als ambulant.

Alle geneesheren bedoeld in dit artikel werken nauw en op gestructureerde en

multidisciplinaire wijze samen in de borstkliniek, niettegenstaande deze met

hun eventuele dienst van oorsprong verbonden blijven

Art. 5. De medische coördinatie van de borstkliniek geschiedt door een

geneesheer-specialist in de heelkunde of in de gynecologie-verloskunde, een

geneesheer-specialist in de medische oncologie of een geneesheer-specialist

in de radiotherapie-oncologie. Deze coördinator moet lid zijn van het team

bedoeld in artikel 4.

Bedoelde geneesheer-specialist wordt op voorstel van de hoofdgeneesheer

aangewezen door de ziekenhuisbeheerder na advies van de medische raad.

Bedoelde geneesheer-specialist is voltijds aan het ziekenhuis verbonden en

besteedt tenminste acht halve dagen per week aan de borstkliniek.

De functie van coördinator van de borstkliniek is niet cumuleerbaar met deze

van coördinator van het zorgprogramma voor oncologie, zoals bedoeld in het

koninklijk besluit van 31 maart 2003 tot vaststelling van de normen waaraan

het zorgprogramma oncologische basiszorg en het zorgprogramma oncologie

moeten voldoen om te worden erkend.

De coördinator van de borstkliniek werkt actief samen met de coördinator van

het zorgprogramma voor oncologie, teneinde samen te voldoen aan de

voorwaarden bedoeld in voornoemd koninklijk besluit van 21 maart 2003

evenals aan deze bedoeld in dit besluit

Afdeling 2. - Verpleegkundige omkadering

Art. 6. De verpleegkundige verzorging van patiënten met borstkanker dient te

worden gecoördineerd door een beoefenaar van de verpleegkunde, hetzij houder

van de beroepstitel in de oncologie, hetzij in opleiding om deze

beroepstitel te behalen, hetzij die op de datum van inwerkingtreding van dit

besluit een ervaring van ten minste vijf jaar en een deskundigheid heeft in

de integrale verzorging van dergelijke patiënten.

Deze verpleegkundige dient voltijds aan de borstkliniek te zijn verbonden en

kunnen aantonen dat hij aan vormingsactiviteiten heeft deelgenomen in het

specifieke domein van de borstkanker.

Deze verpleegkundige heeft als taak de patiënten te begeleiden en zich ervan

te vergewissen dat :

1° de verpleegkundige zorgen aan patiënten die aan borstkanker lijden, de

bijzondere procedures volgen die zijn ingesteld door de borstkliniek;

2° de patiënten die door de borstkliniek worden verzorgd, wel degelijk

voldoende psychologische steun hebben verkregen en voldoende pertinente en

relevante informatie hebben gekregen over de verschillende aspecten van hun

verzorging.

Afdeling 3. - Psychosociale omkadering

Art. 7. Onverminderd artikel 18 van het koninklijk besluit van 21 maart

2003, moet de borstkliniek beschikken over een psycholoog die ten minste

halftijds aan de borstkliniek is verbonden en die een significante ervaring

heeft in de begeleiding van patiënten met borstkanker.

Daarnaast dienen de geneesheren van de borstkliniek, vrij een beroep te

kunnen doen op het psychosociaal supportteam van het zorgprogramma

oncologie.

De psychosociale begeleiding van patiënten dient te worden verzekerd

gedurende alle stadia van de ziekte.

Afdeling 4. - Andere omkadering

Art. 8. De borstkliniek dient te beschikken over kinesitherapeuten die

gespecialiseerd zijn in de preventie van post-operatoire en

post-radio-therapeutisch lymphe-oedeem en van stijfheid van de schouder.

Art. 9. De borstkliniek moet een persoon aanstellen voor de coördinatie van

de registratie van gegevens van patiënten.

Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 10. De geneesheren, verpleegkundigen en kinesitherpeuten zoals bedoeld

in dit hoofdstuk, zijn beschikbaar voor zowel de opgenomen als de ambulante

patiënten.

Art. 11. De omkadering zoals bedoeld in de afdelingen 1 tot 4 kan bestaan

uit personen die eveneens deel uitmaken uit van het zorgprogramma oncologie.

Art. 12. De personen bedoeld in de afdelingen 1 tot en met 4 dienen binnen

het domein van borstkanker voor wat betreft de aspecten ervan die tot hun

discipline behoren een specifieke vorming te hebben genoten of een ervaring

terzake te hebben en kunnen aantonen dat zij deelnemen aan programma's van

permanente vorming in bedoeld domein.

HOOFDSTUK V. - Functionele normen, kwaliteitsnormen voor kwaliteitsopvolging

Art. 13. De borstkliniek dient vorming te organiseren voor de leden van de

omkadering van de borstkliniek evenals voor de personen die hiermee zijn

verbonden.

Art. 14. § 1. De borstkliniek dient in het multidisciplinair oncologisch

handboek, bedoeld in artikel 21, §§ 1, 2 en 3 van voornoemd koninklijk

besluit van 21 maart 2003, over een specifiek voorbehouden onderdeel te

beschikken, waarin daarenboven minimaal de procedures van opvang en

opvolging van de patiënten, de maximumtermijnen tussen de verschillende

etappes van de opvolging en behandeling, de procedures inzake communicatie

van de diagnose en behandeling aan de patiënten en aan de verwijzende

geneesheren, en de modaliteiten inzake verwijzing in het kader van de

samenwerkingsovereenkomsten waaraan de borstkliniek deelneemt.

Deze procedures voorzien eveneens in een taakverdeling gedurende deze

communicatie aan de patiënten van de informatie inzake de diagnosen en de

behandelingen, door de verschillende intervenanten bedoeld in de afdelingen

1 tot 4 van hoofdstuk IV en in het bijzonder de psychologen en de

verpleegkundigen.

§ 2. Het in § 1 bedoelde handboek wordt door de artsen, verpleegkundigen en

andere vestrekkers van de werkgroep « borstpathologie » bedoeld in artikel

15, opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de multidisciplinaire

commissie van het zorgprogramma oncologie waarvan het de bovenbouw vormt.

Art. 15. § 1. Voor elke borstkliniek oncologisch zorgprogramma wordt een

werkgroep « Borstpathologie » opgericht, die wordt voorgezeten door de

coördinator van de borstkliniek en samengesteld is uit :

1° een geneesheer van elk van de door artikel 4, 1° tot 6° bedoelde medische

disciplines die deelnemen aan de borstkliniek;

2° de coördinerend verpleegkundige zoals bedoeld in artikel 6;

3° de psycholoog zoals bedoeld in artikel 7;

4° een kinesitherapeut zoals bedoeld in artikel 8;

5° de persoon die is aangeduid voor de coordinatie van de registratie van de

gegevens zoals bedoeld in artikel 9;

De werkgroep is belast met :

1° het helpen van de multidisciplinaire commissie oncologie van het

zorgprogramma oncologie van het ziekenhuis bij de uitvoering van de taken

die haar worden toevertrouwd zoals beschreven in artikel 27 van het

koninklijk besluit van 21 maart 2003

2° het verzekeren van de doorverwijzing van de patiënten met borstkanker die

een complexe of zeldzame behandeling nodig hebben naar de meest geschikte

structuur waarnaar het handboek verwijst.

§ 2. In afwijking van § 1 kunnen verschillende borstklinieken gezamenlijk

een werkgroep « borstpathologie » oprichten

Art. 16. De borstkliniek dient inzake kwaliteitsopvolging te beantwoorden

aan dezelfde bepalingen als die van toepassing zijn op het zorgprogramma

voor oncologie waarvan het de bovenbouw vormt, met dien verstande dat voor

de borstkliniek binnen de kankerregistratie bijkomend volgende gegevens

moeten worden geregistreerd als aanvulling op de registratie zoals opgelegd

door artikel 11 van het koninklijk besluit van 21 maart 2003 :

a) de resultaten van de analyses van de hormoonreceptoren

b) de resultaten van de analyses van het het antigen HER2.

Art. 17. § 1. Wekelijks moet een multidisciplinair overleg plaatsvinden via

de multidisciplinaire oncologische consultatie, zoals bedoeld in artikel 23

van het koninklijk besluit van 21 maart 2003 voor alle patiënten bij wie een

nieuwe diagnose werd gesteld, en dit tenminste vóór elke behandeling.

Minstens één van de geneesheren-specialisten van elkeen van de specialismen

bedoeld in artikel 4, 1° tot en met 5°, een verpleegkundige en een

psycholoog nemen aan dit overleg deel. Wanneer dit nodig blijkt, neemt ook

een plastisch chirurg hieraan deel aan het overleg.

§ 2. Voor ieder multidisciplinair overleg zoals bedoeld in artikel 17, § 1,

wordt een verslag opgesteld zoals bepaald in artikel 23, § 2 van het

koninklijk besluit van 21 maart 2003.

Dit verslag preciseert onder meer op gedetailleerde wijze :

1° een uitvoerige beschrijving van de primaire behandeling, voor te stellen

aan de patiënt;

2° een beschrijving van de voorgestelde medische opvolging

Art. 18. De geneesheer-specialist die de de diagnose heeft gesteld en/of de

geneesheer-specialist die de volgende fase van de behandeling of van de

opvolging van de patiënt verzekert deelt de diagnose en het behandelingsplan

mee. Een psycholoog en een de coördinerend verpleegkundige zijn op elk

ogenblik beschikbaar om de geneesheer voor deze mededeling bij te staan.

HOOFDTUK VI. - Samenwerkingsakkoorden

Art. 19. § 1. Het gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma dient een

schriftelijk samenwerkingsakkoord te hebben met :

1° tenminste een mammografie-eenheid die door de bevoegde overheid erkend

is;

2° een centrum voor menselijke erfelijkheid zoals bedoeld in het koninklijk

besluit van 14 december 1987 houdende vaststelling van de normen waaraan de

centra voor menselijke erfelijkheid moeten voldoen, met het oog op een

genetische consulatie voor de patiënten.

Het gespecialiseerd oncologisch zorgprogramma neem daarenboven deel aan het

geheel van samenwerkingsovereenkomsten van het zorgprogramma oncologie.

§ 2. De pluridisciplinaire equipe van de borstkliniek waakt over het

afsluiten van samenwerkingsverbanden met de patiëntenverenigingen die actief

die actief zijn in het domein van de borstkanker en beschikbaar in dezelfde

geografische zone.

HOOFDSTUK VII. - Vereiste infrastructuur en omgevingselementen

Art. 20. § 1. De borstkliniek moet kunnen beschikken over voldoende

radiologische en technische apparatuur opdat binnen een termijn van vijf

werkdagen een diagnose kan worden gesteld.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 moet de borstkliniek tenminste over de

volgende uitrusting beschikken :

1° mammografie;

2° echografie;

3° technieken van interventionele medische beeldvorming bij de borst;

Voor de toepassing van § 1 moet de borstkliniek in hetzelfde ziekenhuis

toegang hebben tot een nucleaire magnetische resonantie tomograaf.

Art. 21. De borstkliniek moet een beroep kunnen doen op de erkende dienst

voor radiotherapie zoals bedoeld in artikel 30, § 1, van voornoemd

koninklijk besluit van 21 maart 2003, opdat de patiënten van het

gespecialiseerde zorgprogramma binnen een in functie van de indicatie

redelijke termijn, en ten laatste binnen de drie weken na de heelkundige

ingreep een bestraling te kunnen ondergaan wanneer geen systemische

behandeling is vereist een bestraling kunnen ondergaan. Wanneer

peroperatoire radiotherapie vereist is en het ziekenhuis niet over een

dienst radiotherapie beschikt, wordt de patiënt overgebracht naar het

ziekenhuis met de radiotherapiedienst waarmee het samenwerkingsakkoord werd

afgesloten en voor zover er in dit ziekenhuis een borstkliniek oncologie

bestaat. Indien dit niet het geval is, wordt de patiënt doorverwezen naar

een borstkliniek op een vestigingsplaats waar een dienst radiothierapie

wordt uitgebaat.

Indien bij toepassing van artikel 30, § 1, van voornoemd koninklijk besluit

van 21 maart 2003, een overeenkomst wordt afgesloten met een ziekenhuis die

een erkende dienst radiotherapie uitbaat, moeten de nodige waarborgen worden

inzake beschikbaarheid van deze dienst voor de patiënten van de borstkliniek

die het akkoord afsluit.

Art. 22. De uitrustingen die het ziekenhuis ter beschikking stelt voor de

uitvoering van ambulante behandelingen en behandelingen mits

ziekenhuisopname, moet voor het borstkliniek derwijze ter beschikking zijn

zodat aan de patiënten van de borstkliniek binnen de opgelegde termijnen,

zoals vastgesteld in het in artikel 14, § 1, bedoelde multidiscipliniar

oncologisch handboek een systemische therapie kan worden toegediend.

Art. 23. De chirurgische infrastrucuur van het ziekenhuis dient derwijze te

zijn georganiseerd dat de heelkundige behandeling van de borstkanker steeds,

in geval van indicatie, kan plaatsvinden binnen een termijn van vijftien

werkdagen vanaf de mededeling van de beslissing tot heelkundige ingreep aan

de patiënt, waarbij deze desgevallend gepaard gaat met onmiddellijke

borstreconstructie zonder dat laatst genoemde ingreep een vertraging

oplevert voor eerstgenoemde ingreep.

Art. 24. Op de vestigingsplaats van de borstkliniek oncologie moeten

voldoende ambulante raadplegingen georganiseerd worden voor :

1° het binnen de vijf dagen ten laste nemen van elke nieuwe patiënt met een

vermoeden van, of een aangetoonde borstkanker en die zich bij de

borstkliniek aanmelden.

Om de patiënten meteen al tijdens deze raadplegingen een multidisciplinair

advies te kunnen verstrekken, moeten zowel een geneesheer-specialist in

heelkunde of in gynaecologie-verloskunde, een geneesheer-specialist in de

radiodiagnose, een geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie en

een geneesheer-specialist in de medische oncologie aanwezig zijn op de

vestigingsplaats en, indien mogelijk, binnen dezelfde eenheid.

Geurende deze consultaties moeten een klinisch onderzoek, de nodige

onderzoeken met medische beeldvorming en de verzameling van borststalen

mogelijk zijn;

2° de mededeling van de diagnose en het behandelingsplan binnen maximaal

vijf werkdagen vanaf het eerste contact.

De diagnose wordt meegedeeld door de geneesheer-specialist van de equipe

omschreven in a) die de eerste behandeling heeft verzekerd of de diagnose

heeft gesteld. Het behandelingsplan wordt meegedeeld door de

geneesheer-specialist die de eerste behandeling heeft verzekerd en/of die

instaat voor de volgende fase van de behandeling of de opvolging van de

patiënt.

Tijdens deze raadplegingen dienen een verpleegkundige met ervaring in de

begeleiding van patiënten met borstkanker en de psycholo(o)g(en) bedoeld in

artikel 7, eerste lid beschikbaar te zijn;

3° de specifieke multidisciplinaire opvolging van patiënten met borstkanker,

zowel tijdens hun behandeling als hierna.

Tijdens deze raadplegingen moeten zowel een geneesheer-specialist in

heelkunde of in gynaecologie-verloskunde, een radioloog, een

geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie en een

geneesheer-specialist in de medische oncologie tegelijkertijd aanwezig zijn

op de vestigingsplaats en, indien mogelijk, in dezelfde eenheid.

Een psycholoog en een verpleegkundige met ervaring met patiënten met

borstkanker zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7, moeten beschikbaar zijn;

4° de opvolging van patiënten met goedaardige borstaandoeningen.

Art. 25. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008.

Art. 26. De Minister van Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit

besluit.

Gegeven te Brussel, 26 april 2007.

ALBERT

Van Koningswege :

De Minister van Volksgezondheid,

R. DEMOTTE



FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN

LEEFMILIEU

26 APRIL 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit

van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals

bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7

augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de

ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987,

inzonderheid op artikel 9quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25

april 1997 en hernummerd bij de wet van 25 januari 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de

lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de

ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en tot aanduiding van de

artikelen van de wet die op hen van toepassing zijn, gewijzigd door de

koninklijke besluiten van 16 juni 1999, 21 maart 2003, 13 juli 2006 en 21

januari 2007;

Gelet op het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen van

13 juli 2006;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 12 december 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 27 maart

2007;

Gelet op het advies 42.335/3 van de Raad van State gegeven op 13 maart 2007,

met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde

wetten op de Raad van State;

Op voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. In artikel 2ter van het koninklijk besluit van 15 februari 1999

tot vaststelling van de lijst van de zorgprogramma's zoals bedoeld in

artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987

en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen

van toepassing zijn, ingevoegd bij het koninklijke besluit van 21 maart

2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° § 1 wordt aangevuld met een 3°, luidend als volgt :

« 3° het gespecialiseerd zorgprogramma voor borstkanker dat zich richt op de

diagnose, de multidisciplinaire behandeling, de opvolging, en de revalidatie

van patiënten met kwaadaardige aandoeningen van de borst(en) overeenkomstig

de richtlijnen van het multidisciplinair oncologisch handboek dat dient

gebruikt te worden binnen het zorgprogramma. »;

2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 2. De artikelen 15, 17quater, 68, 71, met uitzondering van de bepaling

die de integratie in het in artikel 23 bedoelde programma als

erkenningsvoorwaarde oplegt, 72, 73, 74, 75, 76 en 86, van voormelde wet

zijn van toepassing op de zorgprogramma's bedoeld in § 1. »

Art. 2. Onze Minister van Volksgezondheid is belast met de uitvoering van

dit besluit.

Gegeven te Brussel, 26 april 2007.

ALBERT

Van Koningswege :

De Minister van Volksgezondheid,

R. DEMOTTE

2026.044

Correcties op de nomenclatuur inzake rusthuisbezoeken gepubliceerd

 

Op 22 april 2026 zijn een aantal KB’s en een interpretatieregel gepubliceerd die de in 2024 nieuw ingevoerde nomenclatuur voor bezoeken in een WZC corrigeren. Het gaat m.a.w. om nomenclatuurnummer 106610 en aanverwanten.

Sommige aanpassingen betreffen eerder ‘teksttoilet’ van de in 2024 gepubliceerde KB’s (gebruik van de juiste terminologie) maar twee punten zijn dermate belangrijk dat we ze nog eens uitdrukkelijk vermelden.

Eén gaat over het GMD van een WZC-patiënt en het ander over het zgn. ongewoon bezoek.

 

2026.043

Nieuwe huisartsennomenclatuur voor palliatieve zorg vanaf 1 juni '26

 

Op 20 april 2026 zijn drie KB’s in het Staatsblad gepubliceerd over de ondersteuning van de huisarts m.b.t. palliatieve patiënten.

Er worden (vanaf 1 juni 2026) twee forfaitaire honoraria ingevoerd die het opstellen van een ACP (advanced care planning) aanvullen:

2026.042

Nog twee aanmeldmomenten in 2026 voor de New Deal

 

In 2024 startte een nieuw financieringsmodel voor de huisartsgeneeskunde, naast de betaling per prestatie en het forfaitaire systeem: de New Deal. Dit systeem houdt het midden tussen de twee bestaande systemen en bestaat uit drie financieringsstromen: betaling per prestatie, capitatiefinanciering en premies.

Indien u zich nog wil aanmelden in 2026 voor dit systeem, zijn er nog twee momenten waarop dat kan: