iziv sociale voordelen, historiek
Dr. Marcel De Brabanter – 4 maart 2010
Een sociaal statuut voor artsen en het ASGB
Het ASGB en later het Kartel (ASGB en GBO) zijn de enige Belgische beroepsverenigingen, die vanaf de stichting van het ASGB in 1954, niet alleen de feitelijke beroepsbelangen en de werkomstandigheden van de artsen in strikte zin wilden verdedigen. Ze wilden ook zorgen voor een aangepaste sociale beveiliging van alle artsen, in solidariteit en in eigen beheer. In dat kader werden in 1954 een sociaal secretariaat en een ziekenfonds onder de naam ‘Onderlinge Ziekenkas’ gesticht . Later ging de aandacht naar de pensioenproblematiek en de invaliditeitsverzekering van de artsen. Als zelfstandigen waren (en blijven) de wettelijke voorzieningen voor de artsen op deze twee terreinen totaal onvoldoende. Dit is ook het geval wanneer de arts als loontrekkende werkt. Om hun levensstandaard te behouden zijn vele artsen verplicht nog te werken na het bereiken van de pensioenleeftijd. Wanneer een arts op jonge leeftijd invalide werd was de situatie nog moeilijker. Dit was ook het geval wanneer hij jong stierf en de weduwe, zonder inkomen, met jonge kinderen alleen achterbleef. Een regeling leek de betrokken verenigingen dringend noodzakelijk.
In de beginfase werd contact opgenomen met de grote levensverzekeringsmaatschappijen. De conclusie van deze contacten was dat we andere wegen moesten volgen om te komen tot een betaalbaar en solidair systeem. In de periode 1960 werd zowel door artsen als door de overheid sterk gepleit voor de invoering van een conventioneel systeem van akkoorden om de relatie van artsen en ziekteverzekering te organiseren. In dat kader werd door de betrokken verenigingen bekomen dat een Riziv-bijdrage voor pensioenvorming en invaliditeitsverzekering zou worden gestort aan de verbonden artsen. Om deze bijdragen optimaal te beheren met het grootste rendement voor de artsen werd een pensioenfonds opgericht in eigen beheer. Deze bijdragen waren (en blijven) fiscaal vrij. De arts kon uit eigen middelen een zelfde som bijstorten. Deze bijdrage was aftrekbaar van zijn beroepsinkomen. Op deze wijze werden voor de betrokken artsen tijdens een loopbaan van 30 jaar, zonder veel kosten, belangrijke geldmiddelen bijeengebracht die bij zijn pensionering in kapitaal of in rente konden worden uitbetaald. Dit pensioenfonds kreeg de naam “Voorzorgskas voor Geneesheren, Apothekers en Tandartsen”. Het ASGB en het Kartel hebben doorheen de jaren steeds hardnekkig en met succes de Voorzorgskas verdedigd en gesteund en dit zonder er syndicaal beslag op te leggen. De Voorzorgskas moest iedere arts welkom heten van welke strekking ook. De Riziv-bijdrage in het sociaal statuut werd eveneens met klem verdedigd. In de loop der jaren werd door de actie van deze verenigingen de bijdrage stelselmatig verhoogd van 7.500 BF in 1963 tot € 4.141,16 nu, voor de volledig geconventioneerde. De bedoeling is om de jaarlijkse bijdrage verder te laten stijgen tot € 6.385,28 geïndexeerd. Op deze wijze kan over de carrière heen een behoorlijk pensioen worden opgebouwd.
De Voorzorgskas is na de omschakeling van een repartitiesysteem tot een individueel kapitalisatiesysteem veranderd van naam ‘ AMONIS O.F.P.’ , de Jamblinne de Meuxplein 4 te 1030 Brussel en zet het werk van de Voorzorgskas voort. Het ASGB volgt de werking van AMONIS nauwlettend op opdat niet zou afgeweken worden van het oorspronkelijke doel: in solidariteit tussen alle leden maximaal hun sociale belangen verdedigen. Zo werd bij de overschakeling naar het kapitalisatiesysteem bedongen dat in de schoot van de vereniging een sociaal fonds, gefinancierd door alle leden, zou voorzien worden om tegemoet te komen aan bijzondere noodtoestanden waarin aangesloten leden zouden kunnen terechtkomen.
Het is met fierheid dat het ASGB en het Kartel op deze realisatie, die ons door velen wordt benijd, terugkijken.